De wereld is met de Zuid-Afrikaanse internationaal rechter Navi Pillay een Nobelprijswinnaar voor de Vrede rijker. Met de prijs ter waarde van ruim 1 miljoen euro wil het Nobelprijscomité de laureaten aanmoedigen om hun strijd voor vrede, democratie of mensenrechten voort te zetten. Maar lukt dat ook? Hoe is het de winnaars van de voorbije jaren vergaan na hun Nobelprijs?
Op een zucht van oorlog, vrijgelaten of politiek buitenspel gezet: zo vergaat het 6 vorige Nobelprijswinnaars voor de Vrede
De voorbije jaren wonnen niet alleen personen, maar ook organisaties de Nobelprijs voor de Vrede. Zoals de Japanse organisatie Nihon Hidankyo, een Russische en Oekraïense mensenrechtenorganisatie en het Wereldvoedselprogramma van de VN. In dit artikel blikken we enkel terug op een aantal personen die de prijs wonnen.
Abiy Ahmed (50) is al 8 jaar premier van het Oost-Afrikaanse land Ethiopië. Toen hij de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, was hij amper anderhalf jaar aan de macht. Maar in die periode kon hij al heel wat verwezenlijkingen op zijn naam schrijven.
Hij stelde de persvrijheid in, liet politieke gevangenen vrij, liet ballingen van de oppositie weer toe en voerde een verdere liberalisering van de economie door, die op dat moment als gevolg van het beleid van zijn voorgangers een van de sterkst groeiende economieën ter wereld was.
Hij werkte ook aan de verzoening tussen de etnische en religieuze gemeenschappen en in het bijzonder aan die met de Oromo, de grootste bevolkingsgroep in het zuiden van het land. Abiy Ahmed is zelf een Oromo. En hij slaagde er ook in om vrede te sluiten met rivaal en buurland Eritrea, waarmee Ethiopië lange tijd in oorlog was. Abiy Ahmed trad ook op als bemiddelaar in andere conflicten in Afrika.
Het Nobelprijscomité loofde hem voor al die inspanningen in het eerste anderhalve jaar van zijn premierschap en zei te hopen "dat de Nobelprijs de Ethiopische premier zal aanmoedigen om verder te gaan op de ingeslagen weg".
Er volgde wel een waarschuwing: de spanningen tussen de bevolkingsgroepen in het land zijn zeker nog niet weg en blijven een gevaar. Het comité merkte ook op dat Ethiopië het op een na meest bevolkte land van Afrika is en dus een grote invloed heeft op de rest van het continent.
Wie hier stopt met lezen, zou Abiy Ahmed kunnen omschrijven als een vredespremier. Maar amper een jaar na zijn Nobelprijs was dat predicaat nog moeilijk te verdedigen. Begin november 2020 trok hij ten oorlog tegen zijn eigen onderdanen, met name in de noordelijke deelstaat Tigray. Abiy Ahmed deed dat naar eigen zeggen als reactie op een aanval van de machthebbers in Tigray op een basis van het Ethiopische leger.
Het conflict sluimerde al lang en draaide voornamelijk om macht. Voor Abiy Ahmed premier werd, had de partij die Tigray bestuurt, het ook voor het zeggen in heel Ethiopië: het TPLF of Tigray People's Liberation Front.
Premier Ahmed kreeg in zijn oorlog tegen het TPLF steun vanuit Eritrea, dat de oude vete met de voormalige Ethiopische machthebbers (het TPLF) nog niet vergeten was. De oorlog eindigde in 2022, na een akkoord tussen de regering en het TPLF, en kostte het leven aan honderdduizenden mensen (de schattingen lopen sterk uiteen). Verschillende actoren in de oorlog werden ook beschuldigd van oorlogsmisdaden.
Vier jaar na het einde van de oorlog in Tigray dreigt echter een nieuwe grootschalige oorlog uit te breken in Ethiopië, én tussen Ethiopië en Eritrea. Vorige maand brak een nieuw conflict uit tussen de regering en een alliantie van verschillende rebellengroepen, in de regio's Tigray, Amhara en Afar. De Ethiopische regering beschuldigt Eritrea ervan dat het die rebellen steunt. Er zouden ook al Eritrese troepen gespot zijn in het noorden van Ethiopië. Eritrea zegt dan weer dat Ethiopië voorwendselen zoekt om een agressieoorlog tegen zijn kleinere buurland te beginnen.
Abiy Ahmed is nog altijd premier en hij heeft al een aantal keren laten verstaan dat Ethiopië een toegang tot de zee nodig heeft. Eritrea (tot 1993 een provincie van Ethiopië) belemmert die toegang tot de zee. Dat, het conflict met de rebellen en de mogelijke aanwezigheid van Eritrese troepen in Ethiopië zijn allemaal aanwijzingen dat de kans op een nieuwe oorlog in de Hoorn van Afrika bijzonder groot is.
Maria Ressa (63) is een Filipijnse journaliste en oprichter en CEO van de nieuwssite Rappler. Daarvoor werkte ze bijna 20 jaar voor de Amerikaanse nieuwszender CNN. Als journaliste en CEO van Rappler richtte Ressa haar pijlen op de omstreden antidrugsoorlog van de voormalige Filipijnse president Rodrigo Duterte en de dodentol die die antidrugsoorlog heeft geëist.
Ressa en Rappler toonden ook aan hoe sociale media aangewend worden om fake news te verspreiden, tegenstanders lastig te vallen en de publieke opinie in de Filipijnen te manipuleren. Ressa werd de voorbije 2 decennia verschillende keren aangeklaagd en in 2020 werd ze ook veroordeeld voor laster. Maar ze belandde uiteindelijk niet in de gevangenis.
Maria Ressa kreeg haar Nobelprijs samen met de Russische journalist Dmitri Moeratov (zie verder). Volgens het Nobelprijscomité vertegenwoordigden zij alle journalisten die opkomen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in de wereld, volgens het comité een voorwaarde voor democratie en langdurige vrede.
"Vrije, onafhankelijke en op feiten gebaseerde journalistiek biedt bescherming tegen machtsmisbruik, leugens en oorlogspropaganda. Zonder vrijheid van meningsuiting en zonder persvrijheid is het moeilijk om landen met elkaar te verzoenen, de wereld te ontwapenen en een betere wereldorde tot stand te brengen", argumenteerde het Nobelprijscomité.
De Nobelprijs voor de Vrede maakte Maria Ressa niet immuun voor vervolging. Ook na de bekendmaking van de prijs bleven de rechtszaken tegen haar en haar nieuwssite aanslepen. Maar ze belandde nooit in de gevangenis, mogelijk doordat internationale organisaties als de Verenigde Naties, organisaties die de persvrijheid bewaken en buitenlandse regeringen zich geregeld over haar uitspraken. Haar internationale bekendheid nam ook enorm toe. Ze kon als hoogleraar aan de slag in New York en blijft wereldwijd een bekende stem in debatten over persvrijheid, desinformatie en democratie. Haar nieuwssite dreigde enkele jaren geleden wel zijn vergunning kwijt te spelen, maar het Filipijnse Hooggerechtshof stak daar uiteindelijk een stokje voor.
Onafhankelijke media hadden het onder president Rodrigo Duterte (2016-2022) bijzonder moeilijk. De overheid stelt zich tegenwoordig wat minder agressief op tegen de pers, maar dat betekent niet dat de persvrijheid er niet meer in gevaar is. De organisatie Reporters Zonder Grenzen noemt de Filipijnen nog altijd "een van de gevaarlijkste landen ter wereld voor journalisten".
Dmitri Moeratov (64) is een van de oprichters van de Russische krant Novaja Gazeta, die kritisch is voor het regime van de Russische president Vladimir Poetin. Moeratov was er ook meer dan 20 jaar hoofdredacteur.
Novaja Gazeta is een van de weinige Russische media die onafhankelijke journalistiek brengen. Voor Rusland Oekraïne binnenviel, berichtte de krant onder meer over corruptie bij de overheid en mensenrechtenschendingen. De krant en haar medewerkers worden al decennialang bedreigd. Sinds 1993 werden 6 journalisten vermoord. De bekendste onder hen is Anna Politkovskaja.
Dmitri Moeratov kreeg zijn Nobelprijs samen met de Filipijnse journaliste Maria Ressa (zie hierboven). Volgens het Nobelprijscomité vertegenwoordigden zij alle journalisten die opkomen voor de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in de wereld, volgens het comité een voorwaarde voor democratie en langdurige vrede.
"Vrije, onafhankelijke en op feiten gebaseerde journalistiek biedt bescherming tegen machtsmisbruik, leugens en oorlogspropaganda. Zonder vrijheid van meningsuiting en zonder persvrijheid is het moeilijk om landen met elkaar te verzoenen, de wereld te ontwapenen en een betere wereldorde tot stand te brengen", argumenteerde het Nobelprijscomité.
Het Nobelprijscomité kende Moeratov de Nobelprijs ook toe omdat zijn krant "corruptie, politiegeweld, illegale arrestaties en verkiezingsfraude aan het licht bracht".
Moeratov kreeg de Nobelprijs 4 maanden voor de start van de Russische grootschalige invasie van Oekraïne. In zijn toespraak tijdens de overhandiging waarschuwde hij al voor die oorlog. Novaja Gazeta heeft zich altijd kritisch opgesteld tegenover de oorlog en in Rusland houdt dat in dat je op basis van een nieuwe wet vervolgd kunt worden wegens "valse informatie" over de zogenoemde militaire operatie.
In maart 2022 zette de krant haar gedrukte versie stop, na een tweede waarschuwing van de Russische mediawaakhond. Een maand later werd Novaja Gazeta Europa opgericht, een nieuwssite die artikelen in het Russisch en Engels publiceert. Om de Russische censuur te omzeilen, werkt de redactie vanuit het buitenland, onder meer met journalisten die Rusland hebben verlaten.
Moeratov is zelf geen hoofdredacteur meer. Hij zette in 2023 een stap opzij, nadat de Russische overheid hem als een 'buitenlandse agent' had bestempeld. Maar hij bleef wel in Moskou wonen. Enkele weken geleden werd ook de krant zelf op de lijst met 'buitenlandse agenten' geplaatst.
Opvallend: in 2022, enkele maanden na de start van de Russische invasie, liet Moeratov zijn Nobelprijsmedaille veilen. De volledige opbrengst daarvan, zo'n 100 miljoen euro, schonk hij aan Unicef, het kinderfonds van de VN. Unicef gebruikte het geld voor humanitaire hulp aan Oekraïense kinderen die door de oorlog ontheemd zijn geraakt.
Ales Bjaljazki (64) is in Rusland geboren, maar is de zoon van Wit-Russische ouders. De schrijver en mensenrechtenactivist zet zich al sinds het begin van de jaren 80 in voor pro-democratiebewegingen in Wit-Rusland. Hij organiseerde in die periode samen met anderen ook de eerste anti-Sovjetdemonstraties in zijn land en richtte midden jaren 90 het mensenrechtencentrum Viasna ('Lente') op.
Bjaljazki geldt als een spilfiguur binnen de oppositie tegen president Aleksandr Loekasjenko, die al 32 jaar aan de macht is. Hij zat tussen 2011 en 2014 al eens 3 jaar in de cel en werd in 2022 opnieuw opgepakt, in de nasleep van het grootschalige protest tegen de frauduleuze herverkiezing van Loekasjenko, een jaar eerder. De officiële aanklacht is belastingontduiking, maar mensenrechtenactivisten zijn ervan overtuigd dat die politiek gemotiveerd is.
Volgens het Nobelprijscomité heeft Bjaljazki "zijn leven gewijd aan het bevorderen van democratie en vreedzame ontwikkeling in zijn thuisland". Hij kreeg de prijs samen met de Russische mensenrechtenorganisatie Memorial en de Oekraïense mensenrechtenorganisatie Centrum voor Burgerlijke Vrijheden.
Allen kregen ze de prijs voor hun jarenlange kritische houding tegenover de machthebbers in hun landen, het beschermen van de mensenrechten en het documenteren van oorlogsmisdaden, machtsmisbruik en mensenrechtenschendingen. "Samen tonen ze wat burgers kunnen betekenen voor vrede en democratie."
Het Noorse Nobelcomité riep Wit-Rusland ook op om Bjaljazki vrij te laten. "We hopen dat hij naar Oslo zal komen om de prijs in ontvangst te nemen. Maar er zijn duizenden politieke gevangenen in Wit-Rusland en ik vrees dat mijn wens niet erg realistisch is", zei de voorzitter destijds.
Bjaljazki werd niet vrijgelaten en kon zijn Nobelprijs niet zelf in ontvangst nemen. Integendeel, in maart 2023, enkele maanden na de bekendmaking van de prijs, werd hij tot 10 jaar cel veroordeeld.
Hij zat uiteindelijk nog bijna 3 jaar in de gevangenis, tot hij eind vorig jaar uiteindelijk toch werd vrijgelaten, samen met 122 andere politieke gevangenen. Dat gebeurde na een akkoord met de Verenigde Staten, waarbij in ruil een aantal handelssancties werd versoepeld. Sindsdien woont Bjaljazki in Noorwegen.
Over de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland en de vrijheid om oppositie te voeren, kunnen we kort zijn: er is geen haar veranderd sinds Bjaljazki de Nobelprijs heeft gewonnen. Loekasjenko zit nog altijd stevig in het zadel, nadat hij met de steun van grote broer Rusland alle oppositie in zijn land monddood heeft gemaakt.
Zowat het enige positieve van de voorbije jaren is dat er inderdaad een groot aantal politieke gevangenen is vrijgelaten. Maar om in perspectief te plaatsen: volgens Bjaljazki's eigen mensenrechtenorganisatie zitten er nog altijd bijna 900 politieke gevangenen achter de tralies.
Narges Mohammadi (56) is een Iraanse activiste die al sinds de jaren 90 heel actief strijd voert voor meer vrouwen- en mensenrechten in haar land. Toen ze in 2023 de Nobelprijs voor de Vrede won, stond ze mee aan het hoofd van het Centrum voor de Verdediging van Mensenrechten, opgericht door Shirin Ebadi, die in 2003 de Nobelprijs voor de Vrede won. Mohammadi zette zich met die organisatie in voor meer vrouwenrechten in het streng islamitische Iran en voor de afschaffing van de doodstraf.
Mohammadi zat op dat moment opgesloten in de beruchte Evin-gevangenis, waar veel politieke gevangenen worden opgesloten. Ze was veroordeeld tot een totale gevangenisstraf van 31 jaar en een lijfstraf van 154 zweepslagen, wegens "propaganda tegen de staat". Ze had verhalen naar buiten gebracht over de mishandeling en verkrachting van vrouwelijke gevangenen.
Het Nobelprijscomité noemde de prijs "in de eerste plaats een erkenning voor het zeer belangrijke werk van een hele beweging in Iran met haar onbetwiste leider, Narges Mohammadi". Het Nobelprijscomité verwees daarmee naar de 'Vrouw, Leven, Vrijheid'-beweging, na de dood van de 22-jarige Mahsa Amini, in september 2022.
Het comité prees Mohammadi ook voor het feit dat ze zelfs vanuit de gevangenis een belangrijke rol vervult in de strijd voor mensenrechten wereldwijd. "Het is niet aan het comité om te beslissen over de impact van de prijs, maar we hopen dat het een aanmoediging is om het werk in welke vorm dan ook voort te zetten."
Niemand ging ervan uit dat een repressief regime zoals Iran Mohammadi meteen na de bekendmaking van de prijs zou vrijlaten, en dat is ook niet gebeurd. Haar kinderen, die in Frankrijk in ballingschap leven, namen de prijs in haar plaats in ontvangst.
Mohammadi kwam uiteindelijk wel vervroegd vrij: een eerste keer in 2024 om medische redenen. Maar in december 2025 werd ze opnieuw opgepakt en in de gevangenis gegooid, nadat ze de Iraanse religieuze autoriteiten had bekritiseerd tijdens een begrafenisceremonie.
Begin mei werd ze na een hartaanval in het ziekenhuis opgenomen en 10 dagen later werd ze opnieuw wegens gezondheidsproblemen op borgtocht vrijgelaten. Ze is nu nog altijd vrij, maar vertelde in recente interviews dat ze het risico loopt om elk moment weer opgesloten te worden.
De internationale aandacht voor de mensenrechten in Iran is het voorbije halfjaar wat ondergesneeuwd geraakt door de Israëlisch-Amerikaanse aanvallen op het land. Hoewel de Iraanse opperste leider Ali Khamenei in februari door Israël is gedood, is het onderdrukkende en streng-religieuze regime van de ayatollahs nog lang niet verslagen. De Israëlisch-Amerikaanse oorlog tegen Iran richt zich vooral op het nucleaire programma van Iran. Het lot van de Iraanse bevolking lijkt van minder belang te zijn.
Met andere woorden: als het islamistische regime op een of andere manier met de VS een akkoord over het nucleaire programma weet te sluiten, dan maakt het een grote kans om deze oorlog te overleven. Voor de Iraanse bevolking in het algemeen en de Iraanse vrouwen in het bijzonder is er dan weinig hoop op meer vrijheid en meer rechten.
María Corina Machado (58) staat aan het hoofd van het Democratisch Eenheidsplatform van Venezuela (PUD), een alliantie van oppositiepartijen die zich verenigd hebben in de strijd tegen het radicaal-linkse regime van toenmalig president Nicolás Maduro en zijn opvolgster, interim-presidente Delcy Rodríguez.
In 2024 had ze eigenlijk de grote uitdager van Maduro moeten worden bij de presidentsverkiezingen, maar het regime deed er alles aan om haar tegen te werken. Ze werd beschuldigd van corruptie en mocht daardoor niet deelnemen aan de verkiezingen. Machado leefde daarna lange tijd ondergedoken, uit vrees om opgepakt te worden.
Machado kreeg de Nobelprijs voor haar "onvermoeibare werk om de democratische rechten van het volk van Venezuela te promoten" en voor haar "strijd om een rechtvaardige en vreedzame transitie van een dictatuur naar een democratie te bereiken".
Het Nobelprijscomité noemde haar een "moedige en toegewijde kampioen van de vrede" en een vrouw "die de vlam van de democratie brandend houdt in een groeiende duisternis". Ze is volgens het comité "een van de meest buitengewone voorbeelden van burgerlijke moed in Latijns-Amerika in recente tijden".
Machado won de prijs exact een jaar geleden en in dat jaar is er veel (en tegelijk niet zo veel) veranderd in Venezuela. Op 3 januari voerden Amerikaanse speciale eenheden een militaire operatie uit in Venezuela en ontvoerden ze president Maduro en zijn echtgenote. Zij staan nu in New York terecht voor onder meer narcoterrorisme.
Maar van een echte regimewissel is geen sprake. Trump lijkt meer oog te hebben voor de Venezolaanse olie dan voor een echte democratische omwenteling. Enkel Maduro en zijn echtgenote zijn weg aan de top, maar de rest van het zogenoemde 'Bolivariaanse' regime is nog altijd aan de macht in Venezuela, in de politiek en in het leger.
De ontvoering van Maduro leek op het eerste gezicht in het voordeel van Machado te zullen spelen, maar niets is minder waar gebleken. Trump besliste om samen te werken met interim-presidente Rodríguez en schoof Machado volledig aan de kant, omdat ze volgens hem te weinig draagvlak zou hebben in haar land. Rodríguez maakt geen haast met nieuwe verkiezingen en ook de Amerikaanse regering vindt het daar te vroeg voor.
De pijnlijke vaststelling voor Machado is dat ze, ondanks haar Nobelprijs, voorlopig aan de zijlijn moet blijven staan. Ze schonk haar medaille overigens aan Trump, aan wie ze eerder de prijs ook had opgedragen, "omdat hij begaan is met onze zaak". Maar veel heeft het haar niet opgeleverd.
Machado woont ook niet meer in Venezuela zelf. Nadat ze in december 2025 naar Noorwegen is gereisd om haar prijs op te halen, leeft ze in ballingschap in het buitenland. Maar ze blijft strijdvaardig en wil zo snel mogelijk naar haar land terugkeren om er vroeg of laat aan presidentsverkiezingen deel te nemen.
