Vorig jaar zijn er in België 555 extremisten prioritair opgevolgd. Dat zijn er een 20-tal minder dan in 2024. Dat meldt het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD), dat zich zorgen maakt over online radicalisering bij jongeren. 86 procent van het aantal opgevolgde extremisten behoort tot het islamitisch extremisme.
OCAD volgt 555 extremisten in België: "Online radicalisering bij jongeren grote uitdaging"
Het OCAD beheert de lijst en zorgt voor een individuele dreigingsanalyse van elk van de profielen. Vorig jaar werden 79 personen geschrapt uit de lijst van prioritair op te volgen extremisten. Zij zijn verwijderd omdat ze al een tijd positief geëvolueerd zijn of overleden zijn. 60 nieuwe extremisten werden aan de lijst toegevoegd.
"Het totale aantal individuen op de lijst daalt al enkele jaren", zegt OCAD-directeur Gert Vercauteren in een persbericht. "Dat hoeft niet te verbazen. De periode van de talrijke vertrekken naar jihadistische conflictzones ligt al enkele jaren achter de rug." In 2022 stonden er nog 700 namen in de gegevensbank.
86 procent van de opgevolgde extremisten behoort tot het islamitisch extremisme. Een groep van zowat 8 procent wordt als rechts-extremistisch beschouwd, een groep van 3 procent dan weer als links-extremistisch.
De anderen worden opgevolgd in het kader van specifieke thema's als anti-establishmentgevoelens, staatsterrorisme, nihilistisch extremisme en het incel-fenomeen (een misogyne ideologie gekenmerkt door vijandige houding tegenover vrouwen, red.).
'Foreign terrorist fighters'
De meeste mensen op de lijst behoren tot de categorie van 'foreign terrorist fighters'. Dat zijn mensen die naar een conflictgebied zijn vertrokken om er een terroristische organisatie te vervoegen of daarvan terugkeerden, mensen van wie het vertrek is verhinderd of die de intentie hebben om te vertrekken.
Er zijn ook telkens meer dan 100 extremisten gecategoriseerd als haatpropagandisten of potentieel gewelddadige extremisten. Een extremist kan in verschillende categorieën tegelijkertijd staan.
"Dankzij de gemeenschappelijke gegevensbank kunnen alle partners informatie uitwisselen over de verschillende beleidsniveaus heen", zegt Vercauteren nog. "Problematische gevallen krijgen een traject op maat om de risico's te verminderen en, wanneer mogelijk, de re-integratie in de samenleving voor te bereiden."
De OCAD-directeur voegt nog toe dat het werk nooit af is. Een grote uitdaging is volgens hem online radicalisering bij jongeren, onder wie minderjarigen. "We mogen geen gas terugnemen in het delen van informatie, noch in het plegen van overleg. Bovendien is het minstens even belangrijk om als samenleving weerbaarder te worden tegen extremistische propaganda", klinkt het.



