De Russische agressieoorlog in Oekraïne en de moeilijke band met de Verenigde Staten dwingen Europese landen, waaronder ook ons land, om meer te investeren in defensie. In de jaren 80 spendeerde België nog 3,5 procent van zijn bruto binnenlands product aan defensie, nu is dat net geen 1,3 procent. Hoe is het op dit moment gesteld met ons leger? En doen onze buurlanden beter?
"Wie vrede wil, moet zich voorbereiden op oorlog", stelt de veelgebruikte Latijnse spreuk Si vis pacem, para bellum. "Investeren, investeren, en nog eens investeren", lijkt de moderne invulling ervan. Ook onze minister van Defensie Theo Francken (N-VA) wil miljarden investeren in de Belgische strijdkrachten.
Enkele decennia geleden spendeerde ons land nog 3,5 procent van zijn bruto binnenlands product (de geldwaarde van onze economie) aan defensie. Maar dan begon België te besparen, fors te besparen. Van 3,5 procent ging het naar 3 procent, enzovoort.
Het absolute dieptepunt bereikte ons land in 2017. Toen gaven we 0,88 procent van ons bbp uit aan onze verdediging. Sindsdien gaat het opnieuw in stijgende lijn, al moet ons land nog een flinke inspanning doen om aan de NAVO-norm van 2 procent te geraken.
Die besparingen hebben een grote impact gehad op de staat van ons leger, klinkt het bij defensie. "Het materieel is verouderd, het blijkt moeilijk om nieuwe krachten te vinden en bestaande krachten in dienst te houden, strategische reserves zijn uitgeput en de afhankelijkheid van buitenlandse partners is te groot."
Is het echt zo dramatisch gesteld met de staat van ons leger? Of valt het allemaal wel nog mee? We geven een (beknopt) overzicht.
"Te weinig militairen"
Op dit moment zijn ongeveer 25.000 actieve militairen in dienst bij defensie. Ooit waren dat er een stuk meer: eind jaren 80 waren er ruim 65.000 militairen tewerkgesteld bij het Belgische leger. In de beleidsverklaring van minister Francken staat dat het totale aantal militairen opnieuw opgekrikt moet worden naar 29.000 actief militair personeel. Met burgers en reservisten meegerekend, hoopt Francken zelfs op een militair personeelsbestand van 40.000.
Als we vergelijken met onze buurlanden, zien we dat België in absolute aantallen inderdaad een klein leger heeft. Buurland Nederland heeft 10.000 actieve militairen meer. De legers van Frankrijk en Duitsland zijn 7 tot bijna 10 keer zo groot als het onze.
In absolute cijfers zijn de legers van onze buurlanden een stuk groter. Dat is deels te verklaren omdat er in onze buurlanden veel meer mensen wonen. Het actief militair personeel per 1.000 inwoners geeft een beter beeld van de relatieve grootte van de legers.
Per 1.000 inwoners zijn er in ons land 2 actieve militairen. Daarmee doen we het niet goed, maar ook niet slecht. Enkel Frankrijk doet het een stuk beter, met 3 militairen per 1.000 inwoners. In andere gevallen schommelt het aantal ook vaak rond de 2 per 1.000 inwoners. Enkel buurland Luxemburg hinkt achterop met 1,3 actieve militairen per 1.000 inwoners.
Verouderd militair materieel
Proportioneel gezien heeft ons land misschien niet opvallend minder militairen, maar hebben die militairen ook toegang tot hetzelfde kwalitatieve militair materieel als de legers van onze buurlanden?
Tanks heeft ons land alvast niet. Ooit was dat wel het geval en had ons land ruim 330 Leopard 1-tanks. Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 en het opschorten van de dienstplicht begin de jaren 90, werd het arsenaal tanks echter afgebouwd. In 2014 loste de laatste Leopard 1-tank zijn schot. Meer dan de helft werd verkocht, waarvan een 80-tal aan Brazilië.
België moet het ook zonder luchtafweer en gevechtsdrones doen. In de jaren 90 en 2000 koos ons land ervoor om vooral in internationale missies en luchtsteun via NAVO te investeren in plaats van eigen luchtafweersystemen en gevechtsdrones te ontwikkelen. In politieke kringen is er ook weinig animo om daar nu volop op in te zetten: het is namelijk erg duur, en sommige partijen vrezen dat de technologie ons land kan meeslepen in andere conflicten.
Wel investeert ons land in (lichtere) gepantserde voertuigen "die beter passen bij haar huidige operationele behoeften en strategische visie", zo stelt Defensie. Ons land heeft een 350-tal Piranha III en Dingo II gevechtsvoertuigen in dienst, maar heel wat van die voertuigen zijn erg verouderd. Meer zelfs, de meeste Piranha III-voertuigen kunnen niet meer ingezet worden door scheuren in het chassis, waardoor het leger dringend op zoek moet naar andere alternatieven.
In 2019 koopt ons land daarom 382 lichtere gevechtsvoertuigen van het type Griffon, en 60 zwaarder bewapende voertuigen van het type Jaguar. De voertuigen zullen de basismodellen worden voor de landmacht, en worden vanaf dit jaar geleverd. Ze zullen gestationeerd worden op verschillende militaire basissen in ons land.
Dit jaar wordt ook een lading van een 300-tal Oshkosh-CLV 'Falcons' verwacht: Amerikaanse jeeps, maar uitgerust met Belgische wapens. De nieuwe jeeps zijn krachtiger, hebben een groter bereik en zijn voorzien van de nieuwste communicatiemiddelen en anti-mijn-bescherming. Daarnaast zijn er ook 250 jeeps van het type Mercedes-Benz G op komst.
Met de Caesar 155mm, een zelfrijdende houwitser voor vuursteun op langere afstanden, wil Defensie ook inzetten op een aanzienlijke uitbreiding van haar artilleriemacht. Het leger heeft er 28 besteld, de levering ervan wordt verwacht in 2027.
Er is dus heel wat nieuw militair materieel op komst, maar op dit moment moet Defensie vaak roeien met de riemen die ze heeft. Vooral op gebied van munitie is dat een probleem.
De NAVO stelt voorop dat 'een goed leger' een munitievoorraad heeft om 30 dagen te vechten. Uit onderzoek blijkt dat het Belgische leger al na 10 dagen zonder munitie zou vallen. Voor sommige wapensystemen is dat nog minder, en zou na slechts een aantal uren geen voorraad meer zijn. Bij bepaalde specifieke wapens kunnen onze militairen slechts 1 salvo afvuren.
Nochtans maken we veel van die kogels en wapens zelf, bijvoorbeeld bij de Waalse wapenbouwer FN Herstal, maar (te) veel van die munitie vloeit nog steeds naar het buitenland.
Onze buurlanden
Doet ons land het daarmee veel slechter dan onze buurlanden? Eerst en vooral: hun militair arsenaal verschilt sterk van het onze.
Zo bezitten de legers van Duitsland en Frankrijk wel zware tanks. Nederland heeft geen eigen tanks meer, maar huurt Leopard 2-tanks van Duitsland, en plant om er in de toekomst zelf aan te schaffen. Ook Duitsland overweegt om zijn al grote arsenaal verder uit te breiden met ruim 100 Leopards.
Frankrijk en Duitsland hebben ook een grotere en meer diversere vloot van lichte gepantserde voertuigen. Frankrijk, bijvoorbeeld, heeft naar schatting 1.850 Griffons (bijna 5 keer zo veel als ons land).
Op dit moment heeft ook Nederland een aanzienlijk groter en diverser arsenaal aan gepantserde militaire voertuigen dan België. Belgiës toekomstige leveringen van Griffon- en Jaguarvoertuigen zullen de capaciteit verbeteren, maar Nederland blijft vooralsnog beschikken over een uitgebreider en gevarieerder wagenpark.
Ter zee en in de lucht
In vergelijking met onze buurlanden heeft ons land ook de kleinste vloot gevechtsvliegtuigen. Nederland heeft een moderne F-35 vloot, groter dan die van België. Het land heeft 24 operationele F-35’s, met een geplande vloot van 52 toestellen. Frankrijk en Duitsland hebben veel grotere luchtmachten met eigen straaljagerprogramma’s.
Frankrijk heeft de grootste vloot, met circa 200 Rafales en enkele Mirage 2000’s die nog in dienst zijn. Duitsland heeft 141 Eurofighters, een aantal verouderde Tornado’s, en heeft 35 F-35’s besteld ter vervanging van de Tornado-vloot.
Onze luchtmacht heeft in verhouding tot haar omvang een relatief sterke capaciteit dankzij de Airbus A400M-transportvliegtuigen. België beschikt over 7 A400M’s, die gezamenlijk met Luxemburg worden beheerd in Melsbroek. Dit is een indrukwekkend aantal voor een klein land en het geeft België een disproportioneel grote strategische en tactische transportcapaciteit binnen Europa.
Het Belgische scheepsarsenaal is wel opvallend kleiner dan dat van onze omringende landen. Zo heeft België slechts 2 multifunctionele fregatten: de Louise-Marie en de Leopold I. Ze worden samen beheerd met de Nederlandse marine, en worden onder meer ingezet voor NAVO-missies in de Middellandse Zee, de Golf van Aden (tegen piraterij) en de Noordzee. De schepen zijn 40 jaar oud en vrij verouderd, waardoor ze in de komende jaren vervangen worden.
In 2024 bleek wel dat de Leopold I niet mocht deelnemen aan de NAVO-oefening Joint Warrior. De bemanning van het schip was onvoldoende opgeleid en kon niet alle tests tot een goed einde te brengen. "De gevolgen van onvoldoende recrutering laten zich voelen", schreef toenmalig minister van Defensie Ludivine Dedonder op X.
Wel blinkt onze marine uit in mijnenbestrijding: niet op basis van het aantal schepen (6 Tripartite klasse schepen), maar wel vanwege de expertise van Defensie. Tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden zeemijnen vaak ingezet om vijandelijke schepen te beschadigen of vernietigen.
Veel van die mijnen zijn na de oorlog achtergebleven en vormen nog steeds een gevaar. Dat heeft ertoe geleid dat de Belgische marine een uitgebreide expertise heeft opgebouwd in mijnenbestrijding.
Daarvoor beschikt de Belgische marine over een gespecialiseerde vloot met schepen die uitgerust zijn met geavanceerde technologieën zoals sonar, onderwaterdrones en explosieve opruimingseenheden om mijnen te lokaliseren en te neutraliseren.
Op andere vlakken moet onze vloot wel zijn meerdere erkennen in die van onze buurlanden. Frankrijk heeft een zeer grote marine, met een vliegdekschip, (nucleaire) onderzeeërs en fregatten. Nederland heeft een compacte, maar moderne vloot. Het land beschikt over 4 Walrus-klasse onderzeeërs, die vaak ingezet worden voor NAVO-operaties. De huidige vloot is wel verouderd, waardoor de inzetbaarheid onder druk komt te staan.
Duitsland heeft een middelgrote marine met een focus op de Baltische Zee en NAVO-taken. De 6 onderzeeërs van de Type 212-klasse zijn stil en zeer effectief in ondiepe wateren. De vloot is kleiner dan die van Frankrijk, maar moderner dan de Belgische.
Is het dus slecht gesteld met ons leger?
"Ons leger bevindt zich in een historisch kleine staat", stelt Alexander Mattelaer, onderzoeksprofessor aan de VUB, gespecialiseerd in defensie en veiligheid. Deze aanzienlijke inkrimping, tot ongeveer een kwart van de omvang aan het einde van de Koude Oorlog, is volgens hem proportioneel groter dan in de meeste andere vergelijkbare Europese landen.
"Dit is in essentie het resultaat van een langdurige trend van grote besparingen op het defensiebudget, waarbij België in de jaren na de Koude Oorlog doelmatig de dienstplicht opschortte en de defensie-uitgaven sterk verminderde, een trend die langer aanhield dan bij de meeste buurlanden", zegt Mattelaer.
Door die besparingsoperatie is ons leger niet langer voorbereid op een oorlogssituatie, zegt Mattelaer. De huidige staat van het Belgische militaire materieel is voldoende voor oefensituaties, maar er is tot nu toe nooit rekening gehouden met een echt oorlogsscenario waarbij er ook verliezen zijn.
"Een herinvestering is nodig om het huidige personeel en materieel weer op het juiste niveau van paraatheid te brengen", aldus Mattelaer. Hoewel er plannen zijn om de defensie-uitgaven te verhogen richting de NAVO-norm van 2 procent van het bbp, ziet Mattelaer dit als slechts een eerste stap. "De urgentie van de situatie lijkt wel doorgedrongen en er is een intentie om de opgelopen achterstand in te halen, maar de concrete uitwerking en de benodigde politieke steun blijven cruciale factoren."
Ondanks de uitdagingen wijst Mattelaer erop dat het Belgische leger op verschillende gebieden over veel expertise beschikt. "Niet enkel de cijfers van materieel zijn belangrijk. In de praktijk gaat het over capaciteiten: de combinatie van materieel, munitie en goed getraind personeel. Dat ook het personeelsbestand van defensie verder aangroeit, is dus positief voor de langetermijn."



