Vandaag gaat de VN-klimaatconferentie in Bakoe, in Azerbeidzjan, van start. Daar zullen onderhandelaars van over de hele wereld zich buigen over dé grote vraag: hoeveel klimaatgeld moet het rijke Westen vanaf volgend jaar betalen aan het Zuiden, om zijn verantwoordelijkheid voor de klimaatcrisis te compenseren? Gemakkelijk wordt dat niet, want het Westen en het Zuiden verschillen over zowat alles van mening.
Armere landen vragen 10 keer meer klimaatgeld, maar Westen vindt dat onbespreekbaar: VN-klimaatconferentie heeft 11 dagen om harde noot te kraken
En "zowat alles" mag je gerust letterlijk nemen. Elke klimaatconferentie wordt voorafgegaan door maandenlange vooronderhandelingen. Daar wordt veel van het zware werk al geleverd. Maar over 173 elementen in de discussie over het klimaatgeld is er vandaag nog steeds geen overeenkomst tussen het Westen en het Zuiden.
Dat zit zo. Momenteel moeten de rijke industrielanden jaarlijks 100 miljard euro aan klimaatsteun overmaken aan de armere landen. Zo helpen de landen die de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de klimaatverandering, de meest kwetsbare landen. Met dat geld kunnen ze zich aanpassen aan de klimaatverandering en hun eigen uitstoot van broeikasgassen terugdringen.
Die belofte van 100 miljard dateert van 2009 en werd in 2022 voor het eerst volledig ingelost. Dit jaar loopt die regeling af.
Deze COP staat in het teken van het "new collective quantified goal": zeg maar de opvolger van de 100 miljard vanaf volgend jaar. In het klimaatakkoord van Parijs werd vastgelegd dat dat bedrag hoger moet liggen dan die 100 miljard. Dat is het enige dat vastligt. Over alle andere vragen moeten de klimaatonderhandelaars zich de volgende 11 dagen het hoofd breken.
Hoeveel klimaatgeld belandt er in de pot?
Het bedrag van 100 miljard euro, dat in 2009 werd afgesproken op de klimaatconferentie in Kopenhagen, was eigenlijk het betere nattevingerwerk. Veel berekeningen kwamen er toen niet aan de pas.
Dat moet deze keer beter. En hoger. Niet alleen omdat het klimaatakkoord van Parijs dat bepaalt, maar ook omdat de klimaatkosten intussen zijn opgelopen. De klimaatdoelstellingen, waaraan ook het Zuiden moet voldoen, zijn verscherpt. Het klimaatakkoord van Parijs wil de opwarming van de Aarde beperken tot een eind onder de 2 graden Celsius, en als het even kan 1,5 graden. Tegelijk laten de gevolgen van de klimaatverandering zich veel duidelijker voelen, zeker in Afrika en Zuidoost-Azië.
De VN berekende zelf dat de kosten voor die armste landen (de zogenoemde G77 en China) tegen 2030 zullen oplopen tot 5.800 miljard dollar, gespreid over 5 jaar. Dat is vergelijkbaar met het volledige jaarlijkse BNP van Afrika. De kosten zouden in 2025 1.100 miljard dollar bedragen, maar tegen 2030 oplopen tot 1.800 miljard dollar.
Dat bedrag ligt in de lijn van de som die de armste landen in Bakoe zullen vragen: minstens 1.000 miljard dollar per jaar.
Maar de geïndustrialiseerde landen vinden dat compleet onrealistisch. Zij hebben geen bedrag vooropgesteld. Maar her en der valt te horen dat 200 tot 300 miljard het hoogst haalbare is. Zeg maar de 100 miljard plus een correctie voor de inflatie, met een extraatje er bovenop.
In veel Westerse landen is de tijdgeest er niet naar om grote toezeggingen te doen. Veel regeringen zitten na de opeenvolgende corona-, Oekraïne- en energiecrisissen op hun tandvlees. Enkele belangrijke donorlanden zoals Groot-Brittannië, Zweden of Frankrijk hebben het budget voor ontwikkelingssamenwerking teruggedraaid, en dus ook de klimaatsteun. Dat zou in België ook binnenkort het geval kunnen zijn, bleek uit de supernota's van federaal formateur Bart De Wever (N-VA).
En de Verenigde Staten, nochtans met voorsprong de grootste historische vervuiler, sleept al jaren met de voeten. Het gaf in 2024 1 miljard dollar aan klimaatsteun. Dat is slechts 4 keer meer dan België, dat nochtans 28 keer minder broeikasgassen uitgestoten heeft. Onder Trump zal dat bedrag ook niet stijgen.
Wie moet de portemonnee bovenhalen?
Wie ooit met een groep vrienden op café is geweest, kan het beamen: niet alleen de grootte van de rekening telt, maar ook wie betaalt.
Nu dragen 24 industrielanden en de EU bij aan de 100 miljard, waaronder ook België. Dat komt doordat de krijtlijnen voor internationale klimaatsolidariteit in 1992 werden getrokken, toen het VN-klimaatverdrag in voege trad. De redenering was dat die landen, de OESO-landen van toen, de meeste broeikasgassen hebben uitgestoten en dus ook de grootste verantwoordelijkheid voor de klimaatcrisis dragen.
Maar vandaag zijn we 30 jaar verder. Heel wat economieën zoals China, de Emiraten, Rusland, Singapore, Zuid-Korea, Israël, Tsjechië... zijn rijker geworden, en stoten veel meer uit. De donorlanden vinden dat minstens enkele van die landen ook hun bijdrage moeten leveren.
Dat zou volgens hen niet alleen eerlijker zijn, het zou ook meer geld opleveren voor klimaatsteun. De Belgische FOD Buitenlandse Zaken berekende dat de pot minstens 20 procent groter zou kunnen worden.
"Het historische aandeel van China in de klimaatopwarming is 6 procent, evenveel als Duitsland", schetst Peter Wittoeck, de Belgische hoofdonderhandelaar in Bakoe. "Het aandeel van Brazilië is gelijk aan dat van Italië. Je kan dus zeker het argument maken dat een paar landen de verantwoordelijkheid én de mogelijkheid hebben om mee bij te dragen."
"Maar de discussie is heel gepolariseerd. De ontwikkelingslanden weigeren totaal om dat zelfs maar te overwegen."
Waar mag het geld vandaan komen?
De pot met klimaatgeld kan ook op een andere manier vergroot worden: door niet alleen naar publiek geld te kijken, maar ook privaat geld in te schakelen. Denk dan aan banken, verzekeraars, investeerders, bedrijven, ratingbureaus en multilaterale ontwikkelingsbanken.
Daar kan nog heel veel winst gemaakt worden. Het gros van de klimaatinvesteringen gebeurt vandaag in de VS, de EU, Canada en China. Niet in de lage-inkomenslanden waar die steun het meest nodig is. Dat komt doordat bedrijven nog vaak terugschrikken om te investeren in onstabielere economieën, waar ze niet kunnen rekenen op een gegarandeerde opbrengst.
Maar ook voor lokale bedrijven en overheden in die lage-inkomenslanden zelf is het vandaag nog erg duur om te investeren. Geld lenen, kost er bijvoorbeeld veel meer. Afrika betaalt tot 8 keer meer dan de rijkste Europese landen voor zijn leningen, als die al goedgekeurd worden. Daardoor kosten grote hernieuwbare-energieprojecten 2 tot 3 keer zoveel, berekende het Internationaal Energieagentschap.
Om die belemmeringen weg te werken, moet de hele architectuur van internationale geldstromen hertekend worden. Geen sinecure.
Maar volgens premier Alexander De Croo (Open VLD), die ook naar Bakoe trekt, zit er niets anders op. "De klimaattransitie enkel met overheidsgeld financieren, is gewoon onmogelijk als je kijkt naar de cijfers. overheden kunnen geen geld uitvinden."
Nu al mobiliseert de Belgische overheid privékapitaal voor klimaatsteun. Die privé-investeringen liepen in 2023 op tot 490 miljoen euro, meer dan het dubbele van het publiek geld dat België schonk. Onder andere de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden, de Belgische exportkredietverzekeraar Credendo en het Business Partnership Facility ondersteunden zo hernieuwbare-energieprojecten, duurzame landbouw en de transportsector.
"Het grote vraagstuk zal zijn: hoe creëer je een omgeving waarin er geïnvesteerd wordt in klimaatoplossingen?", vervolgt De Croo. "Want dat kan. In Europa wordt er bijvoorbeeld enorm veel gespaard, en mensen zoeken naar een beter rendement dan ze op hun spaarboekje krijgen. Wel, open daarover de dialoog met de financiële sector."
Eén probleem: de armere landen hebben het gevoel dat het Westen zijn verantwoordelijkheid probeert te ontlopen door te veel op privékapitaal te rekenen. Het zou de geldstromen voor klimaatsteun nog ondoorzichtiger maken dan ze nu al zijn, en dus nog moeilijker worden om na te gaan of de donorlanden hun beloften wel nakomen.
Is gegeven ook echt gegeven?
Niet alle klimaatsteun is dezelfde. Donorlanden kunnen klimaatgeld overmaken als een schenking. Maar ze kunnen het ook uitkeren als een lening, die de ontvanger moet terugbetalen. Of ze kunnen voorwaarden verbinden aan hun steun, waarbij de ontvangende partij verplicht moet samenwerken met bedrijven uit het donorland.
België is op dat vlak vrij gul. 70 procent van het klimaatgeld uit het budget van Ontwikkelingssamenwerking, vorig jaar goed voor 216 miljoen euro, bestaat uit giften. Daarvoor geldt: gegeven is gegeven.
Maar België is een uitzondering. Volgens de OESO bestaat 70 procent van alle klimaatfinanciering sinds 2016 uit leningen. Reuters berekende dat 20 procent van al het klimaatgeld uit de geïndustrialiseerde landen uiteindelijk terugvloeit naar de donorlanden via interesten en terugbetalingen.
De rijkere landen zeggen dat je op die manier meer geld in beweging krijgt. Dat snijdt hout.
Maar ook de armere landen hebben een punt als ze die leningen aanklagen. Zij wijzen erop dat leningen indruisen tegen het idee van climate justice of klimaatrechtvaardigheid. Dat is een van de basisprincipes van het VN-klimaatverdrag: de rijke landen die het klimaatprobleem veroorzaakt hebben, vergoeden de landen die er het minst aan bijgedragen hebben, maar er wel het meest onder lijden.
Of zoals Andres Mogro, de voormalige directeur voor Klimaatadaptatie in Ecuador het omschrijft: "Het is alsof het huis in brand staat en je buiten brandblussers verkoopt".
Wat mag je ermee betalen?
De G77-landen en China zullen het geld mogen inzetten om zich aan te passen aan de klimaatverandering. Daar is geen discussie over. In klimaatjargon heet dat dan adaptatie, bijvoorbeeld met stevigere dijken of hittebestendige gewassen.
Ze mogen het ook gebruiken om hun eigen uitstoot omlaag te krijgen. Dat heet mitigatie, bijvoorbeeld door groene-energieprojecten of elektrificering van het transport.
Maar de armere landen zouden daar ook hun klimaatschade mee willen betalen, bijvoorbeeld huizen herstellen na een overstroming of een bosbrand. Het zijn de kosten die de armere landen moeten maken wanneer de vorige verdedigingsgordels tegen de klimaatverandering, mitigatie en adaptatie, gefaald hebben.
Die kosten, de zogenoemde loss and damage, lopen steeds verder op naarmate de planeet opwarmt. Om een idee te geven: de schade na de overstromingen in Pakistan, in de zomer van 2022, wordt geschat op zo'n 27 miljard euro.
De donorlanden houden die kosten echter liever uit het nieuwe bedrag. Zij wijzen erop dat er op de VN-klimaatconferentie van vorig jaar al een apart fonds in het leven is geroepen voor loss and damage. Dat was toen een historische overwinning voor de armere landen.
Komt er wel een bedrag?
Dat is dus de hamvraag van deze COP: raken de onderhandelaars er wel uit? De onderhandelingen zijn erg technisch, en elke kwestie ligt politiek gevoelig.
"De like-minded developing countries, een vrij radicale en heel machtige groep binnen de G77 met onder andere China en Saudi-Arabië, vraagt 1.000 miljard dollar, en dat als giften, geen leningen", zo vat de Belgische hoofdonderhandelaar Peter Wittoeck de uitdaging nog eens samen. "Ze vragen dus niet alleen dat het quantum (het bedrag, red.) vertienvoudigd wordt, ze vragen ook dat de toepassing verengd wordt."
"Wat het uiteindelijke bedrag wordt, wie eraan zal bijdragen en wat de reikwijdte wordt: die sleutelkwesties zullen tot het einde van de COP een open vraag blijven." Aan een voorspelling waagt Wittoeck zich liever niet. "Ik doe niet aan pronostieken."
Aan België zal het alleszins niet liggen als er geen akkoord komt, maakt premier De Croo zich sterk. "Ik heb geen glazen bol. Ik kan dus niet zeggen of het zal lukken. Maar de COP is nu eenmaal de plek waar er keihard wordt onderhandeld door gigantische teams. En het Belgische team zal er alles aan doen om tot een akkoord te komen."
Meer weten over de VN-klimaatconferentie in Bakoe? Dit weekend hadden we het over het gas- en olieland Azerbeidzjan, de weinig voor de hand liggende keuze als gastland. We vertelden je ook alles wat je moet weten over de inzet van COP29.



