Groepen van in het wild levende dieren zijn over een periode van 52 jaar gemiddeld 73 procent kleiner geworden. Dat blijkt uit een wereldwijd, tweejaarlijks rapport van het Wereldnatuurfonds WWF. Toch is er ook goed nieuws: als de mens de natuur beter beschermt, kunnen soorten weer opveren. Dat is het geval voor bijvoorbeeld de blauwvintonijn, de tijger, de olifant in zuidelijk Afrika en de groene zeeschildpad.
Wilde dieren met 73 procent erop achteruitgegaan sinds 1970, maar er is een beetje hoop
In het kort:
In 52 jaar tijd zijn groepen wilde dieren gemiddeld 73 procent kleiner geworden.
Het slechte cijfer geeft aan dat het niet goed gaat met onze natuur wereldwijd.
Er is evenwel hoop: waar de mens de dieren beter beschermt, kunnen ze er opnieuw op vooruitgaan.
Zo zijn er de voorbeelden van de blauwvintonijn, de Zuid-Afrikaanse olifant, de groene zeeschildpad en de tijger.
Ook lokale gemeenschappen spelen een belangrijke rol, zo kon de kleine geelkuifkaketoe opnieuw opveren in Indonesië.
Om een breder effect te hebben, kan de mens de verdere klimaatopwarming stoppen, bossen beter beschermen en vervuiling tegengaan.
Documentaires over wilde dieren spreken tot de verbeelding, en misschien heb je er al eens enkele in het echt kunnen zien. Maar hoe gaat het er precies mee, nu onze planeet steeds meer onder druk komt te staan? Het is daar waar het Wereldnatuurfonds een antwoord op probeert te geven.
Het Living Planet Report is gebaseerd op duizenden waarnemingen wereldwijd, zowel op land, op zee als in zoetwatergebieden. Dat levert een score op, de zogenoemde Living Planet Index, die is berekend door het referentiejaar 1970 te vergelijken met de situatie in 2022.
Ook in het vorige rapport was er een afname van 73 procent, maar vergelijken is moeilijk, omdat er in het jongste rapport 967 populaties zijn bijgekomen en 295 extra diersoorten. De conclusie blijft evenwel dezelfde. "Het cijfer blijft slecht", vertelt Hans Moyson, woordvoerder van WWF-België.
"De data wijzen nog steeds op een enorme achteruitgang van de natuur op wereldschaal. Maar er is ook hoop: als we als mens inspanningen leveren om wilde dieren beter te beschermen, dan kunnen er opnieuw stappen vooruit worden gezet."
Op elk continent is er achteruitgang, maar toch vooral in Latijns-Amerika. Dat komt omdat het gebied in 1970, wanneer de tellingen begonnen, er nog relatief goed aan toe was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Europa.
Het Living Planet Report?
Het volledige rapport telt 120 bladzijden en kwam er in samenwerking met de Zoological Society of London. Er schreven verschillende internationale specialisten aan mee. Er zijn 35.803 populatietrends meegenomen, goed voor 5.790 soorten.
Het gaat om in het wild levende gewervelde dieren: zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen. Volgens critici kan je eigenlijk moeilijk 1 globaal cijfer plakken op alle populaties, maar het WWF wijst erop dat er ook uitgesplitste cijfers bestaan. "Het gaat bovendien om de grootste dataset in zijn soort", zegt Hans Moyson.
Grootste verliezen in zoet water
Je kan ook verschillende types gebied vergelijken. De grootste achteruitgang doet zich voor in ecosystemen in zoet water (-85 procent), gevolgd door land (-69 procent) en mariene ecosystemen (-59 procent).
De terrestrische index (op land) bevat de meeste nieuwe data. Daar is vooral ontbossing een groot probleem, waardoor diersoorten leefgebied verliezen. Tussen 1990 en 2020 alleen al is er naar schatting 420 miljoen hectare bos verdwenen, voornamelijk voor landbouwdoeleinden, meldt het rapport. Dat komt overeen met ongeveer 137 keer de oppervlakte van België.
Van orang-oetans tot masai-giraf
"In Borneo verminderde tussen 1999 en 2015 het aantal orang-oetans met naar schatting 100.000 door ontbossing, houtkap en jacht. In het Minkébé National Park in Gabon ging het aantal bosolifanten tussen 2002 en 2011 met 62 procent achteruit, voornamelijk door stroperij", geeft Moyson enkele voorbeelden.
"In Noord-Tanzania ging de masai-giraf achteruit, ook qua genetische diversiteit, omdat het leefgebied steeds meer in kleine stukken uiteenvalt."
In zoetwatersystemen kunnen dammen op rivieren migratieroutes van vissen blokkeren, maar ook de steeds intensere periodes van droogte of hitte (met opdrogende rivieren of waterbassins, of sterk opwarmend water) vormen een probleem door de klimaatverstoring.
In zee deed de karetschildpad het slecht in het noordelijk Groot Barrièrerif bij Australië (-57 procent) door visserij (bijvangst of verstrikt in netten), of omdat eieren geraapt worden of babyschildpadjes worden meegenomen. Ook het warmer wordende zeewater door de klimaatverstoring speelt er een nefaste rol.
De bedreigingen ontstaan door systeemfouten in onze voedsel-, energie- en financiële systemen
Hans Moyson, WWF-België
"Verlies of aantasting van leefgebied blijft het grootste probleem", vertelt Moyson. "Daarna volgen overexploitatie, klimaatverandering, vervuiling, invasieve soorten en ziekten. Die bedreigingen ontstaan door systeemfouten in onze voedsel-, energie- en financiële systemen."
De oplossing voor het probleem is even voor de hand liggend als complex: al deze negatieve factoren uitschakelen. Globaal de trend omkeren kan niet in 1 keer, maar lokaal wordt al winst geboekt met projecten.
Inspirerende verhalen
Het WWF wil in het rapport focussen op hoop. Anka Stenten, CEO van WWF-België: "De blijft in alarmerend tempo achteruitgaan. Toch zijn populaties van heel wat soorten stabiel, of gaan ze er zelfs op vooruit. Het rapport bevat inspirerende verhalen die aantonen dat de natuur zich kan herstellen. Verandering is echt mogelijk."
Verandering is echt mogelijk
Anka Stenten, WWF-België
Inspanningen voor natuurbescherming hebben er sinds 1993 toe geleid dat naar schatting 32 vogelsoorten en 16 zoogdieren niet uitstierven. Er zijn ook voorbeelden van lokale programma's die blijken te werken.
Daarbij werd de afname vertraagd of werden soms opnieuw grotere aantallen geteld. 50 procent van de gemonitorde populaties in het rapport vertoont momenteel een stabiele of zelfs positieve trend.
Neem de blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan (Thunnus thynnus). In 2010 was de soort met 80 procent achteruitgegaan en werd ze als bedreigd beschouwd. Ook de blauwvintonijn in de Stille Oceaan (Thunnus orientalis) dreigde uit te sterven, maar gerichte beschermingsmaatregelen konden de trend keren.
Er waren onder meer grote bewustmakingscampagnes bij het brede publiek, boycots van leveranciers en strenge regels voor de visserij met strenge controles op de kade. Momenteel is er geen overbevissing meer, maar het WWF waarschuwt dat de situatie verder moet worden opgevolgd.
Ook de groene zeeschildpad (Chelonia mydas) is zo'n positief verhaal. "Zij werd zelfs de eerste zeeschildpad die van de rode lijst van bedreigde diersoorten verdween, dankzij 50 jaar van gecoördineerde inspanningen in zowat 80 landen", vertelt Moyson. De savanne-olifant in zuidelijk Afrika en de tijger zijn andere inspirerende voorbeelden.
Vaak maken inspanningen van lokale gemeenschappen het verschil. Op het eiland Masakambing in Indonesië werd een dorpsreglement uitgevaardigd dat het illegaal maakte om de ernstig bedreigde kleine geelkuifkaketoe (Cacatua sulphurea) te vangen, te houden of te transporteren. Het dier werd immers vaak in kooitjes verhandeld. In 10 jaar bleek het aantal vogels te zijn verdubbeld.
In Baja California, Mexico, veerde de laysanalbatros (Phoebastria immutabilis) dan weer op. De vogel maakte op Guadelupe Island, na het opnieuw verwijderen van katten en geiten, een steile opmars van 454 procent. "Lokale mensen deden daar gecoördineerde, volgehouden inspanningen zonder dat ze wisten of het zou werken", looft Moyson.




