Meer dan 6 op de 10 scholen zetten de extra middelen voor startende leerkrachten in voor andere doelen. Dat blijkt uit een bevraging van de christelijke onderwijsvakbond COC bij 290 scholen. Onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) trekt bijna 49 miljoen euro uit voor starters.
Om de hoge uitval van startende leerkrachten aan te pakken, besloot de regering een 'inductiejaar' in te voeren. Beginnende leerkrachten geven daarbij 80 procent les en worden 20 procent vrijgesteld voor begeleiding en voorbereiding. Dat moet de 'praktijkschok' verzachten.
Scholen krijgen extra middelen, de zogenoemde inductiemiddelen, om die begeleiding kwalitatief in te vullen. Dit schooljaar (2026-2027) is een overgangsjaar, waarin scholen de middelen ook voor andere doelen mogen inzetten.
Populaire overgangsmaatregel
Veel scholen maken daar ook gebruik van. Uit de bevraging blijkt dat 63,5 procent van de scholen de middelen niet inzet voor extra begeleiding. Van de bevraagde scholen zegt 15,7 procent alle inductiemiddelen voor starters te gebruiken. Bij 20,9 procent gaan de middelen gedeeltelijk naar starters.
Volgens COC investeren sommige scholen de extra middelen in extra lesuren, een gedragsexpert of in taal- en huiswerkbegeleiding.
Starters die echt inductie in hun opdracht krijgen, hebben daarvoor gemiddeld 2,5 uur; de mediaan is 2 uur. Opvallend: in het secundair onderwijs zetten de scholen met 2 op de 3 het minst vaak de extra middelen in voor starters.
Lerarentekort
De bevraging peilde ook naar het lerarentekort. Dat wordt steeds meer een regionaal probleem, zo blijkt. In 3 op de 4 bevraagde scholen zijn er leraren voor alle beschikbare uren. Bij scholen die wel leraren tekortkomen, gaat het deels om tijdelijke vervangingen.
Ongeveer 1 op de 6 scholen zoekt nog leraren voor een volledig schooljaar. Het structurele lerarentekort concentreert zich in een duidelijk afgebakende groep scholen. In Brussel en Vlaams-Brabant blijft het tekort het meest acuut. Scholen zoeken vooral leraren voor levensbeschouwelijke vakken en taalvakken.


