3 op de 10 Vlaamse 15-jarigen halen het basisniveau voor leesvaardigheid niet. In het beroepsonderwijs loopt dat zelfs op tot driekwart van de leerlingen. Dat blijkt uit nieuw internationaal PISA-onderzoek bij bijna 4.000 Vlaamse leerlingen. Vlaanderen scoort voor lezen, wiskunde en wetenschappen nog altijd boven het Europese gemiddelde, maar telt steeds minder uitblinkers en steeds meer leerlingen die zwak presteren.
Bijna 1 op de 3 jongeren haalt basisniveau lezen niet: ontdek hier de PISA-resultaten voor Vlaanderen
Stel: je vraagt je af of je een aspirine mag geven aan je kip. Je plaatst de vraag online op een forum en er komen verschillende reacties op. Een dokter reageert met informatie over de juiste dosis medicatie, de eigenaar van een dierenwinkel reageert met een advertentie. Wie heeft hiermee goeie ervaringen?
't Is een voorbeeld van een vraag die bijna 4000 Vlaamse 15-jarige leerlingen voorgeschoteld konden krijgen bij de internationale PISA-toets van de OESO. Ook leerlingen uit 90 andere landen of onderwijsregio's deden mee.
De vragen hebben verschillende niveaus. Zo gaan onderzoekers onder meer na of leerlingen het basisniveau halen om volwaardig mee te draaien in een samenleving.
Voor leesvaardigheid gaat het dan bijvoorbeeld om de hoofdgedachte uit een tekst halen, voor wiskunde om een eenheid als kilometer omzetten naar centimeter en voor wetenschappen moet je alledaagse fenomenen kunnen verklaren. Wat kan het gevolg bijvoorbeeld zijn voor een bepaald soort roofdieren als er plots veel minder prooien zijn?
Meer zwakke presteerders, minder uitblinkers
Resultaat van de test? Te veel Vlaamse leerlingen zijn een vogel voor de kat als het gaat om die basisvaardigheden. Voor wetenschappen haalt een vijfde (22,6 procent) dat basisniveau niet, voor wiskunde een kwart (25,6 procent) en voor leesvaardigheid haalt 29,4 procent het basisniveau niet.
Tegelijkertijd zien we de groep toppresteerders in de klas steeds kleiner worden. Waar in 2003 1 op de 3 Vlaamse scholieren zich een wiskundetopper kon noemen, is dat nu nog 1 op de 9.
Voor wetenschappen en lezen is die groep nog kleiner: respectievelijk 8,2 en 5,6 procent van de Vlaamse leerlingen zit daar in de kopgroep. We blijven voor alledrie de onderdelen wel boven het EU-gemiddelde scoren, maar zien onze score doorheen de jaren stelselmatig dalen.
Magere troost: geen enkel Europees land ziet z'n resultaten stijgen. Enige uitzondering zijn de wetenschapsresultaten van Engeland en Slovakije. Voor één van de verklaringen voor de scherpe daling vanaf 2018, wijst de OESO naar de coronacrisis.
Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) wil alvast contact opnemen met de bevoegde Europees commissaris en haar Europese collega's: "Zonder mensen met voldoende kennis bouw je geen sterke samenleving. We behoorden tot de wereldtop en moeten nu het voortouw nemen om dat opnieuw te worden."
Wat nog opvalt als we met het OESO-gemiddelde vergelijken: als je onze leerlingen bevraagt, blijken ze minder nieuwsgierig te zijn en minder doorzettingsvermogen te tonen.
Ze geven ook minder dan gemiddeld aan dat ze door familie ondersteund worden als het gaat om schoolwerk. Opvallend: er is dan wel hinder door het lerarentekort, maar die hinder wordt in andere landen zwaarder ingeschat dan bij ons.
Kloof kansarme en kansrijke leerlingen blijft groot
1 op de 3 leerlingen met kwetsbare sociaal-economische achtergrond behoort in Vlaanderen tot de groep van de laagpresteerders. Bij de groep met een hoge sociaal-economische status, is dat 1 op de 10. De kloof tussen beide groepen blijft in Vlaanderen groot. Terwijl andere landen tonen dat het ook lukt om veel meer leerlingen mee te krijgen: Estland bijvoorbeeld heeft hogere gemiddelde scores en daar is de afstand tussen beide groepen een stuk minder groot.
Ook wie een migratieachtergrond heeft en/of een andere thuistaal scoort gemiddeld minder goed. Al verkleint dat effect als je rekening houdt met die sociaal-economische achtergrond.
Ook klassiek is het verschil tussen jongens en meisjes. Jongens scoren beter op wiskunde, meisjes op leesvaardigheid. De verschillen worden bij dat laatste groter: Demir wil universiteiten vragen om te onderzoeken wat hiervoor de oorzaken zijn.
Leerlingen arbeidsmarktfinaliteit vallen uit de boot
Nog een kloof die opvalt: driekwart van de leerlingen in het beroepsonderwijs haalt het essentiële basisniveau voor leesvaardigheid niet. "Beschamend", noemt Demir dat. "Niet alleen omdat we een kenniseconomie zijn, maar ook omdat dat gebrek aan basisvaardigheden hun persoonlijk geluk en hun gezondheid beïnvloedt."
Ook Bruno Vanobbergen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen noemt dat resultaat verontrustend.
"We zien dat 20 procent van de leerlingen die in het eerste jaar van de B-stroom starten, rechtstreeks uit het vierde leerjaar komt. Dat betekent dat we een grote groep leerlingen hebben die op de een of andere manier vastloopt in het basisonderwijs."
Leerlingen die geen getuigschrift basisonderwijs behalen, kunnen in het secundair starten in 1B. Maar daar komen ook leerlingen met een getuigschrift terecht.
Hervorming nodig in de B-stroom
De spreidstand binnen die B-stroom is door de niveauverschillen groot, ziet ook Walentina Cools van het Onderwijs Voor Steden en Gemeenten (OVSG).
"Dat maakt het voor leerkrachten erg uitdagend. Daarom vragen we dit type onderwijs in modules te organiseren. Sommige leerlingen missen algemene kennis maar zijn wel erg goed in het beroep dat ze aanleren. Dan zouden ze al wel een hogere module kunnen volgen om zich daar verder in te bekwamen, maar voor algemene kennis kunnen ze dan op hun niveau verder werken aan basisvaardigheden."
De lat mag ook voor deze leerlingen hoger: "Uit gesprekken met scholieren van arbeidsmarktgerichte opleidingen blijkt dat ook zij vragende partij zijn om de lat hoger te leggen. Het is onze verantwoordelijkheid om daarvoor te zorgen."
"Deze resultaten onderstrepen hoe belangrijk het is om de algemene vorming in het secundair onderwijs verder te versterken. De Vlaamse regering heeft de procedure goedgekeurd om de minimumdoelen voor de eerste graad secundair onderwijs af te stemmen op de nieuwe minimumdoelen van het basisonderwijs", vult Koen Pelleriaux van het Gemeenschapsonderwijs aan. "Zo zorgen we voor meer samenhang en een sterkere opbouw van kennis en vaardigheden."
Vanobbergen ziet ook een oplossing in meer samenwerking tussen basis- en secundair onderwijs: "Leerkrachten basisonderwijs hebben affiniteit met de leerlingen die in de B-stroom starten. Al zien we in de praktijk dat het vaak moeilijk is om leerkrachten in die B-stroom aan boord te houden."
Ook structureel kan het anders: "Sommige scholen organiseren zich als tienerscholen waarbij je van het vijfde leerjaar tot het tweede middelbaar op één school zit. Er is niet één bepaald model dat we naar voren schuiven, maar we moeten wel nadenken over manieren om ons onderwijs te organiseren zodat alle leerlingen tot hun recht komen."
Toch nog een lichtpuntje om mee te eindigen? Onze leerlingen moesten ook demonstreren in welke mate ze problemen kunnen oplossen in een digitale wereld. Daar doen we het best goed en staan we internationaal op een - gedeelde - elfde plaats. Enkel Estland moeten we als Europees land hierin laten voorgaan.


