Morgen starten in ons land 50 jongeren tussen 18 en 25 jaar hun vrijwillig militair dienstjaar. De komende weken zullen 450 andere jongeren hun voorbeeld volgen. Het is een nieuw concept in België: geen verplichte legerdienst, wel jongeren die vrijwillig één jaar voltijds bij Defensie werken. Het Belgische leger hoopt zo meer mensen aan te trekken. In landen als Duitsland, Zweden of Noorwegen bestaat een soortgelijk systeem al jaren, maar heeft het niet altijd het gewenste effect.
Vrijwillig militair dienstjaar start morgen: in Duitsland haakte een kwart al na enkele maanden af
De eerste 50 jongeren starten morgen bij de marine. In september volgen ook 75 jongeren bij de luchtmacht en 375 bij de landmacht. Het is een selectie van de in totaal 3.248 inschrijvingen die Defensie ontving voor het vrijwillige dienstjaar.
In essentie is de hele operatie eigenlijk een rekruteringsinstrument. Defensie heeft dan ook dringend meer mensen nodig, zowel reservisten als beroepsmilitairen. Het leger hoopt dan ook dat een deel van de jongeren na het opleidingsjaar reservist blijft (volgens de Strategische Visie mikt ons land tegen 2035 op 12.800 reservisten, bijna 3 keer zoveel als vandaag) of zich waagt aan een van de duizenden openstaande vacatures bij Defensie.
Grote uitval
België is lang niet het enige land dat experimenteert met nieuwe manieren om rekruten aan te trekken. In het buitenland bestaan soortgelijke militaire dienstjaren al jaren. Daarom kan het weleens interessant zijn om te kijken wat het succes is van zo'n jaar in andere Europese landen.
Duitsland heeft meer ervaring met zo'n vrijwillig systeem. Daar bestaat sinds 2011 een vrijwillige militaire dienst voor jongeren, ingevoerd na de opschorting van de verplichte legerdienst (al is het systeem ondertussen geëvolueerd tot een gedeeltelijke dienstplicht).
De belangstelling bleek groter dan aanvankelijk verwacht: tussen juli 2011 en begin 2013 begonnen ongeveer 20.000 jongeren aan minstens zes maanden dienst. Maar na nog geen zes maanden was al meer dan een kwart van hen afgehaakt.
Dat probleem is vandaag nog altijd zichtbaar. Ongeveer een kwart van de vrijwilligers beëindigt zijn dienst voortijdig.
Wie zijn dienst wel volledig uitdoet, stroomt vaker door naar een langere militaire loopbaan. Die doorstroom is bovendien toegenomen: van ongeveer 2.150 jongeren in 2020 naar 2.850 in 2024. Ongeveer een derde van wie zijn vrijwillige dienst volledig afmaakt, kiest uiteindelijk voor een verdere loopbaan bij Defensie.
Heeft Duitsland daarmee zijn personeelstekort opgelost? Zeker niet. Het vrijwillige dienstjaar levert de Bundeswehr wel nieuwe militairen en vormt voor een deel van hen een opstap naar een langere loopbaan, maar ook na het vrijwillig dienstjaar blijft de uitval groot: ongeveer een kwart van de nieuw aangetreden militairen verlaat de Bundeswehr al binnen zes maanden.
De meesten vinden de afstand van hun woonplaats tot de kazerne het grootste heikel punt, anderen geven aan dat ze andere verwachtingen hadden van hun carrière bij Defensie.
Nederland heeft met het Dienjaar een systeem dat sterk lijkt op het Belgische model. De eerste lichting startte in 2023 met 136 deelnemers. Uiteindelijk bleef 102, bijna drie op de vier, bij Defensie: de meesten als beroepsmilitair, anderen als reservist of burger. Defensie had vooraf gemikt op minstens 30 procent.
Het programma werd daarna snel uitgebreid. De belangstelling is groot: in 2024 waren er al zo'n 3.000 aanmeldingen voor het Dienjaar. In 2025 stroomden ruim 1.000 nieuwe deelnemers in. Sinds de start in 2023 is volgens de Nederlandse Defensie ongeveer 60 procent van alle deelnemers behouden. Dat zijn bemoedigende cijfers, al blijft het nog afwachten of die doorstroom op langere termijn standhoudt.
De Duitse en Nederlandse ervaring geeft België daarom een dubbele les. Een vrijwillig dienstjaar kan wel degelijk een belangrijke opstap naar een militaire loopbaan zijn, maar het lost het personeelstekort niet vanzelf op. Veel zal afhangen van hoeveel jongeren na hun jaar bij Defensie blijven, als reservist of als beroepsmilitair.
Verplicht of vrijwillig?
Zweden heeft sinds 2017 de verplichte (selectieve) dienstplicht opnieuw ingevoerd voor mannen én vrouwen. Het interessante is dat Zweden niet iedereen effectief laat dienen: jongeren worden breed opgeroepen voor selectie, waarna slechts een minderheid (8.000 jongeren per jaar) wordt geselecteerd voor de militaire opleiding. De selectie kijkt onder meer naar cognitieve vaardigheden, fysieke geschiktheid, psychologische eigenschappen en motivatie.
Dat laatste is belangrijk: iemand die geschikt is maar absoluut niet wil, wordt traditioneel niet geselecteerd.
Na de opleiding (die 9 tot 15 maanden duurt) gaat ongeveer 20 procent van de dienstplichtigen verder met een militaire loopbaan. Dat schrijft het defensiemagazine CZ Defense op basis van bronnen binnen de Zweedse regering (officiële cijfers zijn er immers niet). Bovendien tonen studies aan dat ongeveer de helft van de deelnemers positiever staat tegenover Defensie dan ervoor.
Volgens het artikel zouden die cijfers opvallend lager zijn dan voor de herinvoering van de dienstplicht: tussen 2010 en 2017, toen Zweden volledig op vrijwilligers draaide, stroomde gemiddeld 60 procent van de vrijwilligers door naar een voltijdse militaire loopbaan.
In Noorwegen, dat ook een selectieve dienstplicht heeft zoals in Zweden, blijft slechts 10 procent van de dienstplichtigen werken bij Defensie. De meesten daarvan werden aangeworven als soldaat of specialist; anderen gingen bijvoorbeeld een officiersopleiding of leertraject volgen.
Het Zweedse en Noorse voorbeeld suggereert dat het vrijwillige karakter van het Belgische systeem een voordeel kan zijn: wie bewust voor een militair jaar kiest, is mogelijk gemotiveerder om nadien reservist te blijven of door te stromen naar een actieve militaire loopbaan. Of dat ook echt zo werkt, zal België de komende jaren moeten aantonen.
Dure rekruteringscampagne
De vraag is dus of de investering in zo’n dienstjaar opweegt tegen wat het Defensie uiteindelijk oplevert.
Een rekruteringscampagne van deze omvang brengt immers serieuze kosten met zich mee. Concrete cijfers over de totale kostprijs zijn er voorlopig niet. In een parlementair antwoord van 2026 laat Defensie weten dat de eerste lichting eind augustus instroomt en dat de precieze budgettaire, personele en logistieke noden nog verder worden uitgewerkt.
Het is volgens Defensie daarom nog te vroeg om daar een betrouwbaar bedrag op te plakken.
Wel is duidelijk dat de loonkosten slechts een deel van de totale uitgaven vormen. Deelnemers aan het vrijwillige dienstjaar ontvangen ongeveer 2.000 euro netto per maand. Voor 500 deelnemers betekent dat op jaarbasis ongeveer 12 miljoen euro aan nettolonen, nog zonder werkgeverslasten.
Daarbovenop komen onder meer de kosten voor de militaire basisopleiding van tien weken, instructeurs en begeleiders, uniformen en persoonlijke uitrusting, wapens en munitie, voeding, huisvesting, medische screening en ondersteuning.
Zonder concrete cijfers van Defensie valt moeilijk in te schatten wat het volledige programma kost. Wel kan de uiteindelijke kostprijs per deelnemer die nadien bij Defensie blijft sterk verschillen, afhankelijk van hoeveel jongeren na hun dienstjaar doorstromen.
Stel, puur als voorbeeld, dat het volledige programma Defensie 25 miljoen euro per jaar zou kosten. Als 250 van de 500 deelnemers daarna bij Defensie blijven, kost het programma gemiddeld 100.000 euro per deelnemer die doorstroomt. Als slechts 50 jongeren blijven, loopt dat op tot 500.000 euro per doorgestroomde militair.
Dat betekent niet dat de overige deelnemers een ‘verliespost’ zijn. Ook wie vertrekt, heeft een militaire opleiding gekregen en kan bijvoorbeeld reservist worden. Maar voor Defensie is de uiteindelijke doorstroom naar een langere loopbaan wel een belangrijke maatstaf om te bepalen hoeveel het dienstjaar bijdraagt aan het oplossen van het personeelstekort.





