Afval uit de steenkoolmijnen dat in terrils ligt gestapeld, creëert in de Hoge Kempen in Limburg een uniek stukje 'Zuid-Europa' waar mediterrane kruiden en zoutminnende kustplanten zij aan zij groeien. Het gaat om gesteente dat honderden miljoenen jaren geleden is gevormd, vol zouten zit en makkelijk opwarmt.
Hoe uit steenkoolmijnen van Limburg uniek mediterraan ecosysteem in midden van Hoge Kempen is ontstaan
Wie op een hete zomerdag een wandeling maakt op een van de mijnterrils in Limburg, waant zich even in Zuid-Europa. De droge, stenige bodem in combinatie met de planten die er groeien, geven zeker tijdens deze warme dagen een mediterrane indruk.
Hoewel deze heuvels door mensen zijn verwezenlijkt uit het steenkoolafval, herbergen ze een uniek ecosysteem dat sterk verschilt van de groene, omliggende Hoge Kempen. Dat de oude steenkoolmijnen vele geheimen hebben achtergelaten, was al duidelijk. Om dit mysterie te achterhalen, moeten we zo'n 350 miljoen jaar terug in de tijd duiken.
Volgens professor emeritus Jacob Vangronsveld (UHasselt) begint het verhaal van deze unieke fauna en flora miljoenen jaren geleden. "Zo'n 300 tot 350 miljoen jaar geleden lag België op de evenaar. Onze gebieden waren bedekt met tropische moerasbossen waar reusachtige bomen groeiden", legt Vangronsveld uit.
Oude moerassen
Toen die bomen stierven, vielen ze in zuurstofarme moerassen. Door het weinige zuurstof, rotten ze niet en veranderden ze in een dikke laag veen. In de loop van miljoenen jaren werd dit plantenmateriaal begraven onder dikke lagen zand en klei. Door de druk en de hitte diep in de aarde, veranderde dat tot steenkool.
Dat er veel steenkool in de Limburgse aarde zat, ontdekte de Leuvense ingenieur André Dumont in 1901. Hij verzamelde een groepje private investeerders die begonnen met de uitbouw van wat later n.v. De Kempische Steenkoolmijnen zou zijn. Zo'n 450 miljoen ton steenkool werd opgehaald, maar daarbij kwam heel wat restmateriaal naar boven.
"Je moet weten dat wat er boven gehaald werd, slechts 50 procent steenkool was", gaat Vangronsveld verder. "De rest was schiefer en andere kalkrijke gesteenten. Die werden opgestapeld op een afvalberg, de terrils."
Mediterrane warmte
Dat gesteente is donker - net zoals steenkool - en absorbeert veel zonlicht. Daardoor zijn de terrils bovengemiddeld warm. Vooral op de steile zuidhellingen, waar de zon loodrecht op de flanken staat, loopt de temperatuur razendsnel en intens op.
Op die steile, stenige hellingen loopt het water bovendien snel af. Daardoor ontstaat er een biotoop die sterk lijkt op de droge Zuid-Europese heuvels. De warmte komt niet alleen van buitenaf. Sommige terrils zijn letterlijk 'brandende bergen'. Professor Vangronsveld wijst op het fenomeen van zelfontbranding: "Er zijn in een aantal terrils branden geweest. De steenkool die daar in de bodem zit, smeult nog."
Dat interne broeiproces kan de bodem zelfs in de winter lokaal warm houden, wat een enorme voorsprong geeft aan planten die van warmte houden. "Vandaar dat je daar bepaalde soorten kan vinden die normaal eigenlijk meer zuidelijk van ons zouden moeten voorkomen", aldus Vangronsveld.
Een schoolvoorbeeld hiervan is de wilde marjolein, een kruid dat op de warme zuidhellingen van de terrils floreert, terwijl het elders in de Kempen nauwelijks te vinden is.
Zouten in de bodem
Naast mediterrane kruiden herbergen de terrils nog een andere botanische paradox: planten die je normaal alleen aan de kust verwacht. Door de hoge concentraties magnesium- en calciumzouten in het mijngesteente groeien er zoutminnende soorten zoals stomp kweldergras en zilte schijnspurrie.
Voor deze planten hoef je dus niet naar de Zwinvlakte; je vindt ze midden in het Limburgse binnenland. "Zulke soorten kwamen er terecht door transport van mens en vooral dier", legt Vangronsveld uit. Vogels die uit het zuiden overvliegen, brengen bijvoorbeeld zaden mee. Als bij toeval leveren de terrils dan ook nog eens de perfecte ondergrond om die zaden te doen ontkiemen.
Vangronsveld ziet ook een interessante parallel met onze autosnelwegen: "Die worden in de winter met zout bestrooid, waardoor je ook langs de hellingen zoutminnende planten terugvindt", klinkt het.
Gevaar voor verzuring
Hoewel de terrils daardoor lijken op een mediterraan klimaat, is de toekomst van de fauna en flora daarop niet zonder gevaar. Het gesteente bevat namelijk ook pyriet, een goudkleurig mineraal. Wanneer pyriet in contact komt met water en zuurstof, ontstaan er ijzersulfaat en zwavelzuur. Op termijn kan dit leiden tot een sterke verzuring van de bodem.
Zo'n verzuring verstoort de chemische balans in de grond. Dat heeft dan weer gevolgen voor de planten: bij een zure bodem, kleuren hortensia's in onze achtertuin bijvoorbeeld blauw, maar als de bodem té zuur is, sterven ze af. Ook op ons gazon groeit bij een erg zure bodem meer mos dan gewoonlijk.
Ondanks hun menselijke oorsprong hebben de terrils dus een eigen klimaat ontwikkeld. "Door de botanische dynamiek zijn geen 2 terrils in Limburg identiek", besluit professor Vangronsveld. Het resultaat? Een mozaïek van zuiderse aandoende planten en gesteenten, grazige vlakten en een warme ondergrond.
Het industriële erfgoed van de Limburgse steenkoolmijnen heeft dus ook de geologische geschiedenis van de streek sterk beïnvloed. Wandelaars van de mijnterrils worden bij dit warme weer dus getrakteerd op een stukje mediterraan aandoende vergezichten, dicht bij huis.
Regionaal nieuws uit Limburg



