Verschillende Europese defensiebedrijven leveren spionagetechnologie aan autoritaire regimes als Azerbeidzjan en Rwanda. Dat staat in een rapport van Human Rights Watch. Overheden kunnen met die technologie bijvoorbeeld de telefoons en computers van journalisten en activisten binnendringen en afluisteren. Hoewel de Europese Unie die export eigenlijk verbiedt, wordt de technologie dus wel uitgevoerd naar en ingezet door landen met een slechte reputatie op het vlak van mensenrechten.
Defensiebedrijven in EU leveren spionagetechnologie aan bedenkelijke autoritaire regimes, zegt Human Rights Watch
Geavanceerde digitale surveillancetools die ongemerkt volledige smartphones kunnen binnendringen. Dat soort technologie verkopen Europese technologie- en defensiebedrijven volgens een nieuw rapport van aan autoritaire regimes.
Eenmaal geïnstalleerd kunnen ze berichten lezen, gesprekken volgen, camera’s activeren en vrijwel elk detail uit iemands privéleven verzamelen - zonder dat het slachtoffer iets merkt.
Poolse spytech in Rwanda
Het rapport schetst zo een ongemakkelijke realiteit: terwijl Europa zichzelf profileert als verdediger van mensenrechten en privacy, blijken Europese bedrijven tegelijk een centrale rol te spelen in de wereldwijde handel in digitale surveillancetechnologie.
Uit documenten die Human Rights Watch kon inkijken, blijkt bijvoorbeeld dat Bulgarije tussen 2022 en 2023 exportvergunningen goedkeurde voor geavanceerde telecom-afluistersystemen naar Azerbeidzjan. Achter die export zat het bedrijf Circles, een firma die gespecialiseerd is in het misbruiken van zwakke plekken in het wereldwijde telecomnetwerk.
Volgens experts kan Circles via dat systeem iemands locatie wereldwijd traceren en zelfs onversleutelde oproepen en sms’en onderscheppen - enkel op basis van een telefoonnummer. Het slachtoffer hoeft daarvoor niets aan te klikken of fout te doen.
Een tweede opvallende case in het rapport leidt naar Polen. In 2023 gaf het Poolse ministerie van Economische Ontwikkeling groen licht voor de export van telecom-interceptiesystemen naar Rwanda.
Volgens Human Rights Watch gebruikt Rwanda digitale surveillance niet alleen om journalisten en politieke tegenstanders binnen het land te monitoren, maar ook om in het buitenland op te sporen. Dat fenomeen staat bekend als "transnationale repressie": autoritaire regimes die hun critici blijven volgen, zelfs nadat die gevlucht zijn naar het buitenland.
De implicaties daarvan zijn groot. Activisten die in Europese steden zoals Brussel, Londen of Parijs in ballingschap leven, blijven via Europese technologie potentieel kwetsbaar voor surveillance door het regime waaraan ze net probeerden te ontsnappen. Volgens Human Rights Watch creëert dat een verlammend effect op vrije meningsuiting en politieke organisatie binnen .
Strenge Europese regels
Nochtans gelden er in de Europese Unie strenge regels voor de export van militaire technologie naar het buitenland. In 2021 werd de zogenoemde "dual-use regulation" ingevoerd: regelgeving voor technologie die zowel civiel als militair gebruikt kan worden.
Een belangrijk onderdeel daarvan is een zogenaamde "catch-all clause". Zelfs wanneer nieuwe spyware nog niet expliciet op een verboden lijst stond, moesten bedrijven voortaan toch een exportvergunning aanvragen als er een risico bestond op mensenrechtenschendingen.
Op papier leek dat een grote stap vooruit voor privacy en mensenrechten. Maar volgens Human Rights Watch werd de wet in de praktijk grotendeels uitgehold door de uitvoeringsrichtlijnen die de Europese Commissie begin 2024 publiceerde.
In plaats van onafhankelijke controles uit te voeren, schoof de EU een groot deel van de verantwoordelijkheid door naar de spywarebedrijven zelf. Zij moesten vooral "rode vlaggen" herkennen en eventuele risico’s vrijwillig melden aan nationale autoriteiten.
Critici vergelijken dat systeem met een casino dat zijn eigen gokautomaten controleert: bedrijven die miljoenen verdienen aan zulke software hebben weinig financiële motivatie om diepgaand onderzoek te doen naar hun klanten.
Beproefde methode
Het probleem is bovendien niet nieuw. Tijdens de Arabische Lente kwam al aan het licht hoe Europese technologie gebruikt werd om dissidenten op te sporen. Het Franse bedrijf Amesys - later Nexa Technologies - verkocht bijvoorbeeld het surveillancesysteem Eagle aan het regime van Muammar Gaddafi in Libië.
Nadat het regime was gevallen, ontdekten mensenrechtenorganisaties installaties waar miljoenen e-mails en chatgesprekken werden onderschept om politieke tegenstanders te identificeren. Verschillende dissidenten verklaarden later dat ze tijdens ondervragingen geconfronteerd werden met letterlijke transcripties van hun privégesprekken.
Ook het Italiaanse bedrijf Hacking Team kwam onder vuur te liggen nadat hun was opgedoken in landen als Ethiopië en de Verenigde Arabische Emiraten, waar journalisten en activisten ermee werden gevolgd. Die schandalen dwongen de Europese Unie uiteindelijk om haar exportregels voor digitale surveillancetechnologie aan te scherpen.
Toch tonen bovenstaande voorbeelden volgens Human Rights Watch aan dat het Europese controlesysteem op meerdere niveaus faalt. Bedrijven moeten grotendeels zelf inschatten of hun technologie misbruikt kan worden. De Europese Commissie publiceert amper transparante gegevens en lidstaten interpreteren de regels verschillend of zoeken actief naar uitzonderingen.
Volgens Human Rights Watch is strengere controle dringend nodig, samen met echte transparantie en onafhankelijke evaluaties van exportvergunningen. Zonder die hervormingen dreigt Europa volgens de organisatie "de andere kant op te blijven kijken", terwijl zijn technologie gebruikt wordt om critici, journalisten en activisten wereldwijd het zwijgen op te leggen.



