De Europese Unie moet zich dringend beter voorbereiden op toekomstige én huidige klimaatrampen. Daarvoor waarschuwt een raad van topwetenschappers. De EU heeft onvoldoende gecoördineerde plannen om de gevolgen op te vangen van overstromingen, bosbranden, hitte of droogte.
Europa is niet voorbereid om klimaatrampen op te vangen, waarschuwen topwetenschappers
Nog maar pas geselden stortregens Zuid-Europa, en zetten ze onder andere Andalusische bergdorpen onder water. En deze zomer ging er een recordhoeveelheid Europees bos in vlammen op.
Toch is de Europese Unie niet klaar voor de gevolgen van de klimaatverstoring. Daarvoor waarschuwt de Wetenschappelijke Adviesraad voor Klimaatverandering. Dat is een onafhankelijk comité van 15 topwetenschappers dat de EU moet bijstaan in het halen van haar klimaatdoelstellingen, en waarvan ook de Belgische klimaatwetenschapper Joeri Rogelj (Imperial College London) deel uit maakt.
Door de klimaatverandering gaat Europa een toekomst tegemoet met veel meer extreem weer. Nu al warmt de regio dubbel zo snel op als de rest van de planeet. Dat veroorzaakt schade waarvan de kosten razendsnel oplopen, tot nu al 45 miljard euro per jaar. En aangezien de opwarming de volgende decennia wellicht nog niet gestopt zal worden, zullen ook we in de toekomst ook alleen maar méér extreem weer te verwerken krijgen.
Daarom moet de EU zorgen dat ze voorbereid is op een wereld die minstens 2,8 graden Celsius warmer is tegen 2100, zegt de adviesraad. Dat komt overeen met een Europa dat zo'n 4 graden warmer is dan voor de start van de klimaatverstoring 150 jaar geleden. Vandaag zit Europa aan 2,4 graden Celsius.
Langetermijnvisie nodig
Daar zijn heldere aanpassingsplannen voor nodig die de hele EU omvatten, en alle sectoren.
Het gaat dan bijvoorbeeld om manieren om genoeg drinkwater en voedsel te garanderen tijdens lange droogtes, om de gezondheid van kwetsbare burgers te beschermen tijdens hittegolven, om kwetsbare natuur te vrijwaren van bosbranden of om kustinfrastructuur te wapenen tegen de stijgende zeespiegel.
Zo'n overkoepelend adaptatieplan bestaat nu nog niet voor de hele EU. Aanpassingsplannen blijven nu vaak steken op het lokale of nationale niveau, terwijl bijvoorbeeld overstromingen of bosbranden gemakkelijk de landsgrenzen overstijgen.
Wil je zoiets efficiënt doen, dan moet het ook op Europees niveau gebeuren. Daarom moeten bijvoorbeeld dringend Europese doelen bepaald worden, meer metingen en studies uitgevoerd worden die heel de EU omvatten en moet meer samengewerkt worden om privaat kapitaal bijeen te brengen voor de investeringen die zullen moeten gebeuren.
Gebeurt dat niet, dan dreigt de opeenvolging van klimaatrampen "de economische en sociale fundamenten van de EU te ondergraven", waardoor "veiligheid, energie-autonomie, economische concurrentiekracht, sociale cohesie en de democratische stabiliteit" in het gedrang komen, schrijven de wetenschappers.
Maar, zo benadrukt de adviesraad, daar is een politieke langetermijnvisie voor nodig die "de korte politieke cycli overstijgt, zodat de continuïteit verzekerd is zelfs als regeringen of instituten veranderen".
Adviesraad vindt ook CO2-reductie onvoldoende
De kwestie wordt "steeds dringender", zegt de Belgische klimaatwetenschapper Joeri Rogelj (Imperial College Londen) die meewerkte aan het rapport. "We zijn niet aangepast aan de klimaatopwarming die we vandaag reeds ondervinden, en er zit nog meer opwarming in de pijplijn gezien de matige ambitie van het huidige klimaatbeleid."
De 2 gaan hand in hand: de klimaatverandering afremmen door de uitstoot van broeikasgassen af te remmen én onze aanpassing aan de gevolgen van het nu al veranderde klimaat.
In 2023 adviseerde dezelfde Wetenschappelijke Adviesraad al dat de EU tegen 2040 90 tot 95 procent minder broeikasgassen zou moeten uitstoten. Eind vorig jaar legde de Europese Commissie de doelstelling na lange onderhandelingen vast op 90 procent.
Volgens de Wetenschappelijke Adviesraad is dat onvoldoende. 90 procent was al de ondergrens van wat de wetenschappers hadden voorgesteld, en daarbovenop zijn er een paar uitzonderingsregels voorzien. Zo zullen lidstaten tot 5 procent van hun reductie kunnen afkopen door projecten in het buitenland te steunen. Dat dreigt de doelstelling onderuit te halen, zegt de Adviesraad.



