Archiefpunt is op zoek naar dagboeken en andere persoonlijke geschriften uit de Tweede Wereldoorlog. Wie zo’n schriftje van een familielid in huis heeft, kan het aanmelden via www.oorlogsdagboeken.be . VRT NWS-journalist Tim Pauwels woont in het ouderlijke huis van verzetsstrijder Frans Verbelen in Erps-Kwerps. Hij kreeg onlangs de dagboekbrieven van de man uit de gevangenis in handen en gaat die nu aanmelden bij Archiefpunt.
Brieven als 'oorlogsdagboek': verzetsstrijder Frans Verbelen schrijft vanuit zijn cel, tot een half uur voor zijn executie
Met 150.000 waren ze, de Belgische verzetsstrijders tijdens de Tweede Wereldoorlog. 15.000 van hen bekochten hun verzetsdaden met hun leven. In afwachting van hun (dood)vonnis sleten de gearresteerde verzetsstrijders hun dagen in een gevangeniscel. Een van hen, Frans Verbelen, schrijft zijn ervaringen neer vanuit de gevangenis van Sint-Gillis. Geen doorsnee beschrijving, maar een bijna literair verhaal doorspekt met ironie.
Frans Verbelen komt net aan op zijn werk, wanneer hij wordt opgepakt door de Duitsers. Het is 3 april 1941. De beschuldiging luidt: spionage. Verbelen hield als hoofdwachter van het goederenstation van Schaarbeek lijsten bij van de treinen met militair materieel die hij zag passeren. Hij dacht dat die informatie belangrijk kon zijn voor de geallieerden. Die lijsten speelde hij door naar andere verzetsstrijders, maar een van zijn enveloppes met informatie werd onderschept.
“In drie dagen rond mijn cel”
Verbelen wordt opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis. In zijn cel, nr. 359, een kamer van 3 bij 4,5 meter, schrijft hij een brief voor zijn familie: zijn vrouw en zijn drie kinderen in Evere. Niet zomaar een brief. Het lijkt wel een opstel, gericht aan niemand in het bijzonder, telt 21 pagina’s en is getiteld: “In drie dagen rond mijn cel”.
In dat opstel neemt Verbelen de lezer mee in zijn eerste ervaringen als gevangene. Voor een man die zichzelf heeft leren schrijven, kan hij opvallend goed overweg met een pen. Over zijn gevangenschap schrijft hij met een dikke vleug ironie: “Een gevangeniscel, vol meewaren, liefderlijk en in ’t geheel niet baatzuchtig, heeft mij in zich opgenomen”, ook al miste “ik enige bijzondere aanleg voor de roeping van gevangene. Als dusdanig niettemin is mij de eer te beurt gevallen”.
Een vloer om niet bij de onderhuurder terecht te komen
Hoelang hij hier opgesloten zal blijven, weet hij niet. Zijn “suite”, zoals hij zijn cel ook noemt, is kaal en sober: een bed, een stoel, een wandkastje, een waterkraan met wasbak, witte wanden (al zijn die niet zo wit meer door “vlekken van doodgeslagen vliegen of vermorzelde mieren”), en ten slotte “een vloer om niet bij de onderhuurder terecht te komen”.
Miljoenen bakstenen waren nodig om deze gevangenis te bouwen. Daarover merkt hij op: “Nu kunt U zich het geluk voorstellen van de steengroefdirecteuren die zulk een bestelling in de wacht sleepten”. En dan, met opnieuw die wrange ironie: “De ene zijn dood is de andere zijn brood.”
Op staatskosten gelogeerd, gevoed en bediend, is dat niet prachtig!
Frans Verbelen
Ook al zijn zijn bewegingen tot dertien vierkante meters teruggebracht, “de geest evenwel kent geen inmuring. Mijn geest blijft vreedzaam." In zijn gedachten is hij geen gevangene die mogelijk zijn doodvonnis afwacht, maar een gast in een hotel. Op een manier die doet denken aan de film La vita è bella, verbloemt Verbelen zijn opsluiting. “Op staatskosten gelogeerd, gevoed en bediend – drinkgeld hoeft zelfs niet gegeven – is dat niet prachtig!”
In deze tijden van oorlog en ontbering is net híj beter af, niet de mensen buiten de gevangenismuren, want hij is “vrij van alle bekommernissen over duurte en rantsoenering; dekking, verwarming, kleedsel en voedsel verzekerd.”
Rutabaga met aardappelen
Alleen dat voedsel laat wel te wensen over. “Mijn derde avondmaal alhier wordt mij voorgeschoteld. Geen aardappelen met rutabaga (koolraap, red.) ditmaal (hoera!), nu is het rutabaga met aardappelen.” Alsof hij een restaurantcriticus is, levert hij commentaar op het eten dat hem voorgeschoteld wordt. “Het zal denkelijk overbodig zijn naar komende gerechten te wachten, de “maître d’hôtel” op een vliegje te wijzen dat op mijn soep ronddrijft of op de schaarste der vleesbestanddelen opmerkzaam te maken.”
En ook wat betreft de hygiëne is er wel wat ruimte voor verbetering: “A propos, op die muren ziet men toch alles! Daar hangt zowaar een spinnenweb. Straks als de kamerknecht van het verdiep mijn bed komt opmaken, zal ik hem daarop eens attent maken. Ik houd van propreteit, moeten zij hier weten!”
Eenzaamheid en verveling
Zijn typetje als kritische recensent verdwijnt als de avond valt. Dan dwalen zijn gedachten af naar zijn thuis, zijn vrouw en kinderen. “Niet al te plezierig er over te tobben wat een donderslag het voor de mijnen moet geweest zijn te vernemen dat ik voorlopig uit de circulatie ben getrokken. Arme dutsen!”
De kinderschoenen zijn zij niet ontgroeid, deze werden hen van de voeten gerukt
Frans Verbelen
Vooral over zijn kinderen is hij bezorgd: “De kinderschoenen zijn zij niet ontgroeid, deze werden hen van de voeten gerukt.” Hij schrijft brieven naar het thuisfront: een bezigheid waaruit hij kracht put, maar die hem ook zwaar valt. “Het brengt telkens weer als een zwaar gewicht dat op het hart drukt en is toch ook echt aangenaam. Gemoedelijk voel ik mij dan met de mijnen verenigd; geen afstand of hinderpaal dat ons scheidt. Ik beur hen op en zij moedigen mij aan; bedroevende overwegingen laten wij links terwijl toekomstplannen met de vleet worden opgebouwd.”
Die eenzaamheid noemt hij het zwaarste gedeelte van zijn opsluiting. En die eenzaamheid gaat gepaard met verveling. Urenlang zit hij alleen in zijn cel, kijkend naar hoe de zon langzaamaan langs de muur schuift. Al na drie dagen voelt het alsof hij er al een eeuwigheid verblijft: “De opschriften heb ik al gezien, ingestudeerd en herzien. De geluiden worden mij bekend evenals de gezichten. De gewoonten van het huis heb ik mij eigen gemaakt. De inburgering is voltrokken. Nu vangt het uithoudingsproces aan.”
Een aanzienlijke voorraad geduld
Toch eindigt zijn brief hoopvol: “Mijn geest zal ik er op los laten om al het genoeglijke uit het verleden te “herkauwen” en te peuzelen aan wat de toekomst belooft.” Dankzij zijn buigzame karakter kan hij het lang uithouden. “Eens te meer komt het mij te pas een strenge, niet te kieskeurige wijsbegeerte te hebben gevormd die er juist niet op telt dat alles steeds naar haar wens gaan zal, en waarin ik nog een aanzienlijke voorraad geduld putten kan. Slaap wel!”
Dood met de kogel
Op 28 juni 1942 wordt Frans Verbelen gefusilleerd. Hij wordt neergeschoten in Tegel, een wijk in Berlijn. Zijn kalme gemoedstoestand zou hij ook gehad hebben op de dag van zijn executie.
Een half uur voor zijn dood neemt hij een laatste keer de pen op. Hij neemt afscheid van zijn kinderen en vraagt zijn vrouw om vergiffenis. Doordat hij stellig weigerde de naam te geven voor wie zijn informatie bedoeld was, ontzegde hij zichzelf de kans op een lichter vonnis. "Lieve vrouw, gij zijt het slachtoffer van mijn houding. Vergeef mij, teergeliefde, al wat ik U aandoe en aangedaan heb. Wees moedig, mijn lieve schat. Toon dat gij Uw leed vergeten kunt, opdat gij aan de kinderen zoudt denken."
De familie Verbelen ontvangt jaren na de dood van Frans een brief van aalmoezenier Heinrich Kreutzberg, die Verbelen tijdens zijn laatste uren bijstond. In het Duits schrijft de pastoor: “Om 6 uur 's morgens kregen hij en zijn twee kameraden Legrain en André te horen dat het doodvonnis zou worden voltrokken. Hij was heel kalm en beheerst.” Een van zijn laatste woorden waren: “Ik ben niet bang voor de dood. Omdat God goed voor me is."
Zonder blinddoek
Verbelen vraagt of hij zonder blinddoek doodgeschoten mag worden. “Dit verzoek wordt ingewilligd. Hij staat rechtop met zijn ogen naar de hemel gericht. Dan verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. (…) Enkele seconden later, om 8.42 uur, wordt hij geëxecuteerd door een militair vuurpeloton. Hij stierf onmiddellijk en voelde niet de minste pijn”, zo schrijft de pastoor.
Frans Verbelen werd gecremeerd. Zijn as zou verspreid zijn in Döberitz, niet ver van Berlijn.
De brief van Frans Verbelen bereikte de redactie via het Erfgoedhuis van Kortenberg. De redactie probeerde nazaten van Frans Verbelen op te sporen maar zonder succes. Nabestaanden van Frans Verbelen kunnen, als zij dat wensen, de redactie contacteren via nieuws@vrt.be.
Archiefpunt doet een oproep om oorlogsdagboeken, agenda's, plakboeken, poëzie-albums of brieven uit de periode 1939-1949 aan te melden, met het oog op digitalisering en openstelling. Aanmelden kan hier .




