In 2022 hebben de geïndustrialiseerde landen 115,9 miljard dollar aan klimaatsteun gegeven aan lage-inkomenslanden. Dat maakt de OESO vandaag bekend. Daarmee maakt het Westen een belangrijke belofte 2 jaar na de deadline alsnog waar. Toch is er ook kritiek op dat klimaatgeld, omdat het vaak alsnog terugvloeit naar de rijke economieën.
Belangrijke kaap voor klimaatfinanciering gerond: OESO-landen geven voor het eerst 100 miljard aan armere landen
In 2009, op de VN-klimaatconferentie in Kopenhagen, beloofde het Westen om tegen 2020 jaarlijks 100 miljard dollar te storten in een klimaatfonds. Om precies te zijn gaat het om de 25 geïndustrialiseerde landen die in 1992 tot de OESO behoorden. Lage-inkomenslanden zouden dat geld kunnen gebruiken om hun uitstoot terug te dringen en om zich aan te passen aan het veranderende klimaat.
Die belofte bleek sneller gemaakt dan ingelost. In 2020 bedroeg het totaal "slechts" 83,3 miljard dollar, 16,7 miljard dollar minder dan beloofd dus.
Maar in 2022 is de kaap eindelijk gerond, blijkt uit nieuwe cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Toen bedroeg het totaal aan leningen, beurzen en onvoorwaardelijke stortingen 115,9 miljard dollar (106,8 miljard euro).
Dat is een belangrijke symbolische stap. De 100 miljard was immers uitgegroeid tot een struikelblok in klimaatonderhandelingen tussen het Westen en het Zuiden. Zolang het bedrag niet gehaald werd, weigerden armere landen tijdens klimaatonderhandelingen (bijvoorbeeld op VN-klimaatconferenties) hun klimaatambities te verhogen.
Waarom zouden ze dat doen als de rijke landen zelf niet eens genoeg willen betalen voor de klimaatschade die ze hebben veroorzaakt, luidde de redenering. Onder andere de VS schiet ruim tekort, berekende de website Carbon Brief. België doet dan weer wél zijn deel.
2.400 miljard dollar per jaar nodig
Met 115,9 miljard dollar strandde het totaal aan klimaatgeld in 2022 dus voor het eerst boven het toegezegde bedrag van 100 miljard. Een heel eind zelfs.
Toch vallen er ook kanttekeningen te plaatsen bij dat bedrag, dat in 2009 werd vastgelegd. Intussen is gebleken dat het slechts een fractie is van wat de armere economieën nodig hebben om zich te wapenen tegen de klimaatcrisis. De VN schatte die kosten in februari op 2.400 miljard dollar per jaar.
Bovendien is het klimaatgeld dat nu overgemaakt wordt, niet zomaar gegeven. Meer dan de helft van dat geld, 54 procent, wordt uitgekeerd in de vorm van leningen waar de ontvangende landen interest op moeten betalen. Bovendien zijn er vaak voorwaarden aan verbonden, zoals verplichte samenwerkingen met bedrijven uit het donorland.
Persagentschap Reuters waarschuwde het voorbije weekend nog dat een deel van het klimaatgeld zo terugstroomt naar de rijkere economieën. Tegelijk groeit de historische schuldenberg waar de ontvangende landen nu al mee kampen, verder aan. En die schuldenberg is net een van de redenen waarom armere economieën de klimaattransitie zelf niet kunnen betalen.
Ook de OESO legt vandaag de vinger op die wonde. Het stipt ook aan dat het klimaatgeld nog niet altijd terechtkomt waar het het meest nodig is. Slechts 10 procent van alle fondsen komen terecht bij de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten. Nochtans vallen de meeste klimaatslachtoffers daar nu al. India en Pakistan kreunen momenteel bijvoorbeeld onder een historische hittegolf.
In het geval van de kleine eilandstaten is hun voortbestaan zelfs acuut bedreigd.
Toch hoopt de OESO dat het ronden van de kaap van 100 miljard "kan helpen om vertrouwen op te bouwen", zegt secretaris-generaal Mathias Cormann. En dat zal nodig zijn, want op de volgende VN-klimaatconferentie, in Azerbeidzjan, staat klimaatgeld opnieuw op de agenda. Dan zullen de rijkere en de armere landen praten over hoe klimaatfinanciering er na 2025 uit zal zien.


