Voor de kust van Tunesië zijn zeker 13 vluchtelingen uit Soedan om het leven gekomen toen hun ijzeren bootje schipbreuk leed. De reddingsdiensten zoeken nog naar 27 vermisten. Dat de vluchtelingen uit Soedan kwamen, wekt weinig verbazing. Na tien maanden van zwaar geweld is de toestand daar bijzonder ernstig.
Migranten omgekomen bij schipbreuk Tunesië: "EU mag meer vluchtelingen uit Soedan verwachten als hulp niet wordt opgedreven"
Het bootje, klaarblijkelijk gemaakt van inderhaast aan elkaar gelaste stukken schroot, had 42 vluchtelingen aan boord. Twee van hen werden levend uit het water gehaald. Zeker 13 mensen zijn verdronken, de reddingsdiensten zoeken nog naar 27 vermisten.
Alle slachtoffers zijn mannen uit Soedan. Ze hadden asielzoekerskaarten op zak die waren afgeleverd door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen in Tunesië.
"Verwacht nieuwe stroom vluchtelingen uit Soedan"
Dat de vluchtelingen uit Soedan kwamen, is weinig verbazingwekkend. Het Oost-Afrikaanse land is al bijna een jaar in de greep van zwaar geweld.
"Als een staakt-het-vuren tussen de strijdende partijen uitblijft en de hulp aan Soedan niet wordt opgevoerd, mag Europa een nieuwe stroom aan Soedanese migranten verwachten", waarschuwde Filippo Grandi, hoofd van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR eerder deze week nog.
"De Europeanen zijn altijd zo bezorgd over mensen die de Middellandse Zee oversteken. Wel, als ze hun steun aan vluchtelingen uit Soedan, of ontheemden binnenin het land niet opvoeren, dan zullen we toenemende bewegingen zien in de richting van Libië, Tunesië en over de Middellandse Zee. Dat lijdt geen twijfel."
Libië en Tunesië zijn de belangrijkste vertrekpunten voor migranten en vluchtelingen die de Europese Unie hopen te bereiken. Het Italiaanse eiland Lampedusa ligt op minder dan 150 kilometer van Sfax.
De oversteek van de Middellandse Zee blijft aartsgevaarlijk. Volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) zijn vorig jaar zeker 2.270 mensen omgekomen in de centrale Middellandse Zee, 60 procent meer dan het jaar voordien.
Bijna 11 miljoen vluchtelingen in Soedan en buurlanden
De oorlog in Soedan heeft een massale vluchtelingenstroom op gang gebracht. Sinds het geweld in april vorig jaar uitbrak, hebben bijna 11 miljoen Soedanezen - zowat evenveel als de totale bevolking van België - noodgedwongen hun huis moeten verlaten.
Meer dan 9 miljoen mensen is ontheemd in eigen land. Daarbij zijn veel inwoners van de hoofdstad Khartoem, waar van bij het begin hevig werd gevochten. Zij zijn gevlucht naar plaatsen in Soedan waar het wel nog relatief veilig is.
Zo'n 1,5 miljoen vluchtelingen zijn terechtgekomen in de buurlanden Tsjaad, Zuid-Soedan, Egypte, de Centraal-Afrikaanse Republiek of Ethiopië. Maar de meeste van die landen hebben hun eigen kwetsbaarheden en zijn niet bij machte om de oorlogsvluchtelingen genoeg te ondersteunen.
Geweld in Soedan: wat is er aan de hand?
Centraal in het conflict staat de rivaliteit tussen twee generaals: die van het reguliere leger, Abdel Fattah al-Burhan, en die van de paramilitaire groep RSF (Rapid Support Forces) Mohamed Hamdan Dagalo, ook bekend als Hemedti.
In 2019 werd dictator Omar al-Bashir van de macht verdreven na een volksopstand. Er werd gewerkt aan een overgang naar democratie in Soedan, maar in 2021 pleegden de RSF en het Soedanese leger samen weer een staatsgreep.
De militairen bleven aan de macht, maar zouden een akkoord tekenen, waarin ze de macht zouden overdragen aan een burgerregering. Een onderdeel van het akkoord was dat de RSF zou worden opgenomen in het reguliere leger. Het was al langer duidelijk dat generaal Hemidti dat niet over zijn kant zou laten gaan.
De spanningen tussen het leger en de RSF liepen op, en zijn sinds halfweg april 2023 geëscaleerd. De laatste drie maanden lijken de RSF aan de winnende hand te zijn. Terwijl het geweld van bij het begin zeer ernstig was in de hoofdstad Khartoem en in de westelijke regio Darfoer, rukken de RSF nu ook op naar het noorden en oosten van Soedan.
Bij het geweld zijn volgens de VN minstens 12.000 doden gevallen, maar volgens lokale artsen is dat cijfer een onderschatting.
Ruim 4 miljard dollar nodig
De Verenigde Naties hebben donorlanden gisteren in Genève om 4,1 miljard dollar (3,8 miljard euro) gevraagd om de inwoners van Soedan en de 1,5 miljoen vluchtelingen in de buurlanden hulp te bieden. Vorig jaar lag het bedrag op 2,6 miljard dollar (2,4 miljard euro), maar daarvan werd nog niet de helft opgehaald.
De VN waarschuwt dat bijna 18 miljoen mensen nu of in de nabije toekomst te weinig te eten hebben. Daarnaast is de gezondheidszorg in Soedan ingestort en kunnen miljoenen kinderen niet meer naar school.
Artsen Zonder Grenzen (AZG) had eerder deze week al de alarmbel geluid over de toestand in het vluchtelingenkamp Zamzam in Darfoer, in het westen van Soedan. Volgens de hulporganisatie sterven daar elke dag 13 kinderen aan ondervoeding. Ook AZG vraagt om "een onmiddellijke, gecoördineerde en snelle opschaling van de humanitaire respons om levens te redden".
Artsen Zonder Grenzen is de enige zorgverlener in Zamzam, een van de grootste en oudste kampen voor ontheemden in Soedan. In het kamp wonen naar schatting 300.000 tot 500.000 mensen. Volgens AZG is een kwart van de kinderen in het kamp acuut ondervoed. 7 procent is zelfs ernstig acuut ondervoed.
"Voor het conflict in april vorig jaar uitbrak, waren de mensen in het kamp al sterk afhankelijk van internationale hulp voor voedsel, gezondheidszorg, proper water - alles. Nu zijn ze bijna volledig in de steek gelaten", zegt Claire Nicolet, die aan het hoofd staat van de noodhulp van Artsen Zonder Grenzen in Soedan. "Sinds mei is er geen voedsel meer uitgedeeld door het Wereldvoedselprogramma (WFP)."
Twintig jaar geleden al burgeroorlog in Darfoer
De relaties tussen de Afrikaanse en Arabische bewoners zijn van oudsher gespannen geweest in Darfoer, een regio in het westen van Soedan, aan de grens met Tsjaad. In 2003 leidde een conflict over grond tussen de van oorsprong Afrikaanse bevolkingsgroep de Foer en Arabische nomaden tot een open oorlog in Darfoer.
De burgeroorlog ging tussen rebellengroepen en het Soedanese regeringsleger, dat de hulp kreeg van de beruchte Janjaweed-milities. Dorpen werden geplunderd en in brand gestoken, mannen vermoord, vrouwen verkracht. Overal waar de Janjaweed te paard of op kamelen verschenen, sloeg de bevolking op de vlucht.
De burgeroorlog eiste meer dan 300.000 doden. Door het geweld, maar ook door hongersnood en ziekte. De Soedanese dictator Omar al-Bashir werd aangeklaagd voor volkenmoord door het Internationaal Strafhof in Den Haag. Het conflict werd beëindigd in 2011, na tweeëneenhalf jaar onderhandelen. Een deel van de Janjaweed is na de burgeroorlog opgegaan in de RSF.


