Vlaams minister van Mobiliteit Lydia Peeters (Open VLD) zegt dat er aan oplossingen gewerkt wordt voor de lange reistijden voor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs. Al zegt ze dat dit niet gemakkelijk is. De minister zegt dat er structureel iets schort aan de onderwijsregels, waardoor De Lijn op zijn limieten botst. "De hele regelgeving zit bij Onderwijs en die kan ik niet aanpassen", aldus Peeters.
Mobiliteitsminister Peeters belooft beterschap voor busvervoer buitengewoon onderwijs: "Maar we botsen op de regels van het onderwijs"
Volgens openbaarvervoermaatschappij De Lijn zit momenteel een kleine 6 procent van de leerlingen die gebruikmaken van het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs, langer dan de vooropgestelde 90 minuten per rit op de bus.
Eind september was dat nog 5,5 procent. Toen beloofde de vervoersmaatschappij een evaluatie te doen om alsnog de rittijden verder te laten dalen. Die evaluatie leverde dus geen algemene verbetering op, zo blijkt.
Minister van Mobiliteit Lydia Peeters merkt op dat er in het algemeen al veel vooruitgang is geboekt en dat De Lijn het nodige doet.
“Twee jaar geleden zat 17 procent van de leerlingen nog langer dan 90 minuten op de bus. Vandaag schommelt dat tussen de 5 en 6 procent.” Tegelijk kan ze niet ontkennen dat het probleem voor die laatste groep maar niet opgelost geraakt.
Aan de budgetten voor de verbetering van het leerlingenvervoer zal het alvast niet liggen: tijdens deze regeerperiode werden die bijna verdubbeld, van 70 miljoen naar 138 miljoen euro.
Twee pijnpunten
VRT NWS sprak met de moeder van Nand, een 12-jarige jongen met een autismespectrumstoornis. Door een aanpassing van zijn busrit is hij nu 103 minuten onderweg naar school in plaats van 57 minuten eerder. Langer dus dan de vooropgestelde 90 minuten.
In een reactie op dit verhaal zegt minister Peeters dat ze zich zal blijven inzetten om de 90 minutenregel te halen voor alle kinderen. “De Lijn zal ervoor zorgen dat de reistijd voor Nand en de andere kinderen zal veranderen”, maar ze geeft toe dat dit niet gemakkelijk zal zijn.
Waar ik twee jaar geleden voor openbaar vervoer moest zorgen voor 34.000 kinderen, is dat vandaag voor 45.000
Vlaams minister van Mobiliteit Lydia Peeters (Open VLD)
Peeters ziet twee pijnpunten, die samen een structureel probleem vormen. Enerzijds is er een sterke stijging van het aantal leerlingen dat naar het buitengewoon onderwijs gaat. “Waar ik twee jaar geleden voor openbaar vervoer moest zorgen voor 34.000 kinderen, is dat vandaag voor 45.000”, zegt de minister.
Tegelijk zitten de scholen waar deze leerlingen naartoe moeten te veel verspreid over Vlaanderen, stelt Peeters vast. “Voor sommige types hebben we maar één school per provincie. Als die school op 30 à 40 kilometer afstand ligt, probeer dan maar eens in de spits met een grote bus met heel veel kinderen een reistijd van minder dan een uur te hebben.”
Onderwijsdecreet aanpassen
Peeters merkt op dat op dit moment elk kind thuis opgehaald wordt, waardoor bussen heel veel stopplaatsen hebben, met lange reistijden tot gevolg. En dit kan zij als minister van Mobiliteit niet oplossen, zegt ze, omdat de regelgeving hieromtrent in het onderwijsdecreet verankerd zit.
Die regels maken het volgens Peeters op dit moment bijvoorbeeld niet mogelijk dat er gemeenschappelijke opstapplaatsen kunnen komen. “Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid”, besluit Peeters. Hiervoor kijkt ze naar haar collega’s: de ministers van Onderwijs en Welzijn, dus Ben Weyts (N-VA) en Hilde Crevits (CD&V).
Minister Peeters reageert op blijvende problemen met busvervoer buitengewoon onderwijs: "Nood aan integrale aanpak"


