's Lands parlementen worstelen momenteel met onthullingen over wel erg voordelige regelingen om de pensioenen van volksvertegenwoordigers op te trekken. Maar wie een stapje terugzet en naar andere beroepsgroepen kijkt, ziet ook elders soms gunstigere pensioenstelsels opduiken, zo leert een lijst die de Federale Pensioendienst ons bezorgde. Belangrijk verschil: veel van die "pensioenextra's" hebben wel een logische en/of historische verklaring (en zijn intussen ook aan het uitdoven).
Van mijnwerkers tot journalisten: deze beroepsgroepen hebben van oudsher nog recht op "pensioenextra's"
Piloten en cabinepersoneel van vliegtuigen
Piloten en cabinepersoneel in de burgerluchtvaart konden lange tijd vroeger met pensioen. Bovendien hadden ze tot 2012 een gunstige regeling waarmee hun pensioen werd berekend.
Bij de berekening van het pensioen van een gewone werknemer wordt het verdiende jaarloon in de pensioenberekening normaal gezien gedeeld door 45, het aantal jaren van een volledige loopbaan. Maar bij piloten deelden ze lange tijd door 30 (waardoor je dus op een hoger bedrag uitkwam) en bij cabinepersoneel door 34. Het loonplafond waarop hun pensioen werd berekend, lag ook hoger dan een gewone werknemer.
Hoe wordt het pensioen van een werknemer normaal gezien berekend?
De federale pensioendienst legt op haar website uit hoe de berekening van een werknemerspensioen verloopt:
1. Alle lonen die je in een jaar kreeg, worden bij elkaar opgeteld.
2. De som van dat jaarloon wordt met het loonplafond vergeleken. Als je totale loon op jaarbasis boven het loonplafond ligt, wordt dat getal teruggebracht tot het loonplafond.
3. Het totale wordt geherwaardeerd (om je loon van jaren geleden te vertalen naar de huidige levensduurte).
4. Elk jaar wordt gedeeld door 45, de normale loopbaanduur als werknemer.
5. De uitkomst wordt vermenigvuldigd met 60 procent.
Dat bedrag is de pensioenopbrengst van 1 jaar. Die opbrengsten van elk jaar worden opgeteld: dat is het pensioen dat je jaarlijks zult krijgen.
De regering-Di Rupo besliste uiteindelijk om die regeling te laten uitdoven. Maar aan de verworven rechten werd niet geraakt, waardoor sommige (oud-)piloten en (oud-)cabinemedewerkers wel nog (deels) kunnen gebruik maken van de gunstige berekening van hun loopbaanduur. Het gaat dan om mensen die vóór 1957 geboren zijn. En ook wie vóór 2012 al als piloot of cabinemedewerker aan de slag was, zal voor die jaren nog kunnen gebruik maken van die gunstregeling.
Update: Verschillende lezers wijzen er terecht op dat de pensioenregeling voor Belgische piloten en cabinepersoneel gefinancierd werd via een werknemersbijdrage die afgehouden werd op hun loon. Dat is een belangrijke nuance. Vanaf 2005 moesten trouwens ook hun werkgevers geleidelijk aan de volle pot betalen van de overheid.
Zeevarenden
Het pensioenbedrag van zeevarenden die onder Belgische of Luxemburgse vlag varen of bij een reder aan de slag zijn - onmiskenbaar een zwaar beroep - kan gunstiger worden berekend. Dat gebeurt dan op basis van een kortere loopbaan van 40 in de plaats van 45 jaar. Voor wie minstens 5.040 vaartdagen (of 168 maanden) heeft, kan het zelfs op 14 jaar worden berekend.
Dat systeem is intussen wel aangepast door de regering-Di Rupo, waardoor het enkel nog geldt voor wie vóór 1957 geboren is of voor jongere mensen met dienstjaren op zee van vóór 2012. Lees: ook dit systeem dooft uit.
Mijnwerkers
Mijnwerkers deden in ons land zwaar en gevaarlijk werk en kregen daarom in ruil een voordelige pensioenregeling. Voor wie vóór 1957 geboren is of voor wie vóór 2012 minstens 20 jaar als mijnwerker heeft gewerkt, wordt het pensioen voordeliger berekend, op basis van een loopbaan van 30 jaar in de plaats van 45 jaar. Mijnwerkers die minstens 25 jaar ondergronds hebben gewerkt, hebben ook nog recht op een pensioensupplement.
De laatste steenkoolmijn in ons land sloot in 1992: ons land telt dus geen actieve mijnwerkers meer. Dus ook dit stelsel is in de praktijk langzaam maar zeker aan het verdwijnen.
Beroepsjournalisten
Loontrekkende journalisten, die officieel erkend zijn als "beroepsjournalist", krijgen sinds 1972 een aanvullend pensioenbedrag, bovenop hun normale pensioen dus. Die regeling is destijds ingevoerd als een beloning voor het feit dat ze tijdens de twee Wereldoorlogen hadden geweigerd om mee te werken aan de kranten die door de Duitse bezetter waren opgevorderd. Het pensioenextraatje dat ze krijgen kan bij een volledige loopbaan in de journalistiek oplopen tot een derde van het normale pensioen.
Belangrijk detail: het journalistenpensioen wordt door de mediasector zelf gefinancierd, eventuele fiscale voordelen buiten beschouwing gelaten. Werkgevers van beroepsjournalisten betalen een aanvullende sociale bijdrage van 2 procent op het brutoloon, de beroepsjournalisten zelf 1 procent. Enkel voor de journalisten die voor 1972 al aan de slag waren (lees: toen de regeling nog niet bestond), worden de journalistenpensioenen via een overheidssubsidie gefinancierd. Dat bedrag wordt logischerwijs jaar na jaar kleiner.
Ook het journalistenpensioen werd in 2011 trouwens ei zo na afgeschaft door de regering-Di Rupo, maar dat plan werd uiteindelijk teruggedraaid toen bleek dat het nauwelijks iets zou opleveren.
(Sommige) ambtenaren
De ambtenaren hebben sowieso al een volledig ander pensioenstelsel dan de gewone werknemers. Maar binnen het ambtenarenkorps zijn dan ook nog eens grote verschillen als het gaat over de "loopbaanbreuk" (of "tantième"). Die breuk bepaalt in de berekening van het ambtenarenpensioen wanneer in hun carrière zij hun volledig pensioenbedrag bereiken. Dat bedrag mag nooit meer bedragen dan 3/4 van hun wedde in de laatste 10 jaar van hun carrière.
Sommige ambtenaren hebben dus voordeligere loopbaanbreuken. Zo is de standaard "tantième" 1/60, maar is die bij het rijdende spoorpersoneel van de NMBS bijvoorbeeld maar 1/48 of voor de douane 1/50. Lees: zij bereiken sneller hun pensioenplafond.
De redenen daarvoor zijn heel uiteenlopend: zo worden sommige functies als zwaarder, gevaarlijker of ongezonder beschouwd (vb. douane, bpost), zijn er andere leeftijdsvoorwaarden voor bepaalde ambtenaren (vb. militairen) of zou het anders niet mogelijk zijn om een volledige loopbaan te bereiken (vb. proffen aan de universiteit, magistraten...).
Belangrijk nog: voor alle dienstjaren na 1 januari 2012 zijn de loopbaanbreuken die voordeliger waren dan 1/48 intussen vervangen door de tantième 1/48.
En de aanvullende pensioenen voor werknemers?
Moeten we het systeem van het aanvullende pensioen (de zogenoemde "tweede pijler"), dat sommige werknemers of contractuele ambtenaren kunnen opbouwen via een groepsverzekering, dan ook niet beschouwen als een "gunstig" pensioenregime? Dat vraagt Yves Stevens, professor pensioenrecht aan de KU Leuven, zich luidop af. "De grens is in elk geval flinterdun. Hoe zinvol het systeem van de aanvullende pensioenen ook kan zijn: uiteindelijk subsidieert de overheid die aanvullende pensioenen ook via voordelige fiscale regelingen."



