Als we de populaties van grote diersoorten zoals de Afrikaanse olifant, de grijze wolf, de bizon en de (iets minder grote) zee-otter zouden herstellen, zou dat een grote opsteker zijn voor de strijd tegen de klimaatopwarming. Dat blijkt uit een nieuwe studie die verschenen is in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Climate Change. De dieren hebben zo'n grote impact op het ecosysteem waarin ze functioneren, dat planten tot 2,5 keer meer koolstof opslaan.
Als we de opwarming van de aarde willen beperken tot 1,5 graden Celsius, dan zal de wereld tegen 2050 massaal moeten omschakelen naar hernieuwbare energie. Maar dat alleen zal niet volstaan. Klimaatwetenschappers waarschuwen dat we ook koolstof uit de atmosfeer zullen moeten filteren, 500 gigaton CO2 tegen 2100 om precies te zijn. Dat zal moeten door technologische oplossingen die nog ontwikkeld moeten worden, maar vooral ook door natuurlijke oplossingen. Bomen en planten, die CO2 opnemen, bestaan immers gewoon al. Ze zijn dus veel gemakkelijker massaal in te zetten én veel goedkoper.
Vandaag gaan veel klimaatprogramma's daarom ook uit van het beschermen en herstellen van bossen, graslanden, kustgebieden en moerassen. Maar wetenschappers zeggen in een nieuwe studie in het tijdschrift Nature Climate dat we nog een belangrijke oplossing over het hoofd zien. Dieren.
Ze hebben zelfs zeer gedetailleerd kunnen bepalen welke diersoorten het grootste verschil zouden maken voor het klimaat. Het gaat over negen grote en middelgrote (families van) diersoorten: de gnoe, de grijze wolf, haaiensoorten, vissen, de muskusos, de Afrikaanse olifant, de bizon en baleinwalvissen. Samen zouden die tot 95 procent van de 500 gigaton CO2 die we uit de atmosfeer moeten halen, voor hun rekening kunnen nemen.
Die grote dieren hebben elk een enorme impact op het ecosysteem waarin ze leven. Alleen al doordat ze er zijn, nemen de planten om hen heen veel meer koolstof op uit de lucht. Dat komt doordat die negen diersoorten de planten helpen met groeien. Ze doen dat door zaden te verspreiden, de bodem om te woelen of door de populaties van planteneters onder controle te houden.
"De cijfers komen in de buurt van de impact die het IPCC (het VN-klimaatpanel, red.) voorziet voor zonne- en windenergie. Het gaat om dezelfde grootteorde", zegt hoofdauteur Oswald Schmitz op de website Mongabay.
Minder gnoes, meer savannebranden
De wetenschappers geven het voorbeeld van de 1,2 miljoen gnoes die vandaag nog in de Afrikaanse Serengeti-savanne leven. Zij geven het landschap mee vorm door gras op te eten. Via hun uitwerpselen wordt de koolstof die in dat gras vervat zit, opgeslagen in de grond. Hoe belangrijk hun rol is, bleek in het begin van de vorige eeuw. Toen de erg besmettelijke runderpest uitbrak, viel hun aantal terug tot 300.000. Het gevolg: er werd veel minder gras afgegraasd, waardoor er veel meer savannebranden woedden. Daardoor stootte de Serengeti zelfs een tijdlang meer koolstof uit dan ze opnam. Vandaag de dag is dat evenwicht hersteld en neemt de Serengeti netto opnieuw koolstof op.
Op die manier bepaalt elk van de negen beschreven diersoorten hoeveel koolstof "hun" ecosysteem kan opslaan. Muskusossen doen dat in de polen, wolven in boreale wouden, haaien in koraalriffen en zee-otters in onderzeese kelpwouden. Hun impact varieert van 15 tot 250 procent méér opgeslagen koolstof.
Hoewel die dieren dus een erg belangrijke rol spelen voor het ecosysteem én het klimaat, worden ze vaak bedreigd, waarschuwen de wetenschappers. Ze worden bejaagd (zee-otters en wolven), overbevist, of hun migratieroutes worden onderbroken door bijvoorbeeld hekkens (gnoes, rendieren).
Daarom pleiten de wetenschappers ervoor dat ook rewilding een plek krijgt in klimaatprogramma's. Dat zijn programma's die ecosystemen moeten herwilderen door bijvoorbeeld iconische diersoorten terug te brengen. Maar dé magische oplossing voor het klimaat is dat natuurlijk niet, nuanceert Schmitz. "Dieren alleen zullen het klimaatprobleem niet oplossen", maar "ze kunnen wel bijdragen tot een groter aanbod aan mogelijke oplossingen."



