De brand in de Hoge Venen is een enorme ramp, maar voorlopig is het niet de grootste die er ooit geweest is in het natuurgebied. Daarvoor moeten we terug naar 1911. Toen brandde het 2 maanden lang en werd bijna 4.000 hectare natuurgebied verwoest. "De omstandigheden zijn opvallend vergelijkbaar", vertelt geograaf Gert Verstraeten.
Kantelpunt in geschiedenis Hoge Venen: in 1911 brandde natuurgebied maandenlang
De brand die de Hoge Venen sinds vrijdag teistert, werd al snel de grootste natuurbrand ooit in ons land genoemd. Er is al zo'n 3.000 hectare afgebrand en het vuur is nog niet helemaal onder controle.
Toch is er al een grotere brand geweest in de Hoge Venen, 115 jaar geleden. Een brand die goed gedocumenteerd is en een belangrijke rol speelde in de bescherming van het unieke natuurgebied.
Een verschil met nu is dat de brand in 1911 zich afspeelde in wat toen een grensgebied was tussen België en Pruisen (dat deel uitmaakte van het Duitse Rijk). Een groot deel van de Hoge Venen was Duits grondgebied. Daar kwam verandering in na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog.
Maar los van die grenskwestie zien historici en geografen veel gelijkenissen. Zowel in 1911 als vandaag ontstond de brand na een uitzonderlijk droge zomer, in een landschap dat bijzonder gevoelig is voor uitdroging en vuur.
"Zowel qua omvang als qua intensiteit is de brand gelijkaardig", zegt geograaf aan de KU Leuven Gert Verstraeten. Ook het getroffen gebied en de periode zijn vergelijkbaar. "Toen ontstond de brand op 1 augustus, nu zitten we 2 weken later."
Meer dan 2.000 Belgische en Pruisische soldaten werden ingezet in de zomer van 1911 om het vuur te bestrijden. Belgische en Pruisische troepen waren actief vanuit onder meer Mont Rigi, Baraque Michel en Maison du Sabotier.
Ze moesten zich behelpen met de middelen van toen. De soldaten legden onder meer brandgangen aan en probeerden de verspreiding van de vlammen tegen te houden met schoppen en ander handgereedschap.
De bluswerken waren een grensoverschrijdende operatie. Die samenwerking was niet evident, want het was een periode van internationale spanningen en België en Pruisen waren geen bondgenoten, zo schrijven onderzoekers van de Universiteit van Luik. Drie jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit en vielen de Duitsers het land binnen.
De omvang van de ramp in de Hoge Venen maakte een grote indruk. Belgische en Duitse kranten stuurden verslaggevers naar het gebied en berichtten bijna dagelijks over de ontwikkelingen. Toeristen en nieuwsgierigen zakten af naar de Hoge Venen om de brand met eigen ogen te zien.
Sommige kranten vergeleken het brandende landschap met de uitbarsting van de Vesuvius of met de 'Hel van Dante', naar de middeleeuwse Italiaanse dichter.
Het vuur bleek bijzonder moeilijk onder controle te krijgen. De wind deed de brand regelmatig opnieuw oplaaien en liet de vlammen op verschillende plaatsen over brandgangen heen slaan. Pas eind september was het volledig voorbij.
Volgens Gert Verstraeten kwam de brand van 1911 op een moment waarop de menselijke invloed op de Hoge Venen een hoogtepunt had bereikt.
De Hoge Venen zijn van nature een van de natste gebieden van België. Door de hoge neerslag, het vlakke reliëf en een ondoorlatende ondergrond bleef er eeuwenlang water staan. Daardoor ontstonden dikke veenlagen die zich sinds het einde van de laatste ijstijd konden opbouwen.
"Op sommige plaatsen bereikt dat veen een dikte van 6 tot 8 meter", zegt Verstraeten. "Dat materiaal heeft zich gedurende duizenden jaren opgebouwd."
Drooglegging voor naaldbomen
Vanaf het einde van de 18e eeuw veranderde het landschap ingrijpend. Om de snelgroeiende staal- en mijnindustrie rond Luik van hout te voorzien, werden grote delen van de streek beplant met naaldbomen. Om die plantages mogelijk te maken, werd het gebied op grote schaal drooggelegd.
"Door die drainage droogde de bovenzijde van het veen uit. Typische veenplanten verdwenen en grassen namen hun plaats in. Dat zorgde voor veel extra brandbaar materiaal."
Volgens Verstraeten maakte die combinatie van ontwatering, uitgedroogde vegetatie en de uitzonderlijke zomer van 1911 het gebied bijzonder kwetsbaar voor vuur.
Dat het zo moeilijk is om de brand te bestrijden - zowel toen als nu - heeft ook te maken met de eigenschappen van veen. Het vuur zit niet alleen aan de oppervlakte, maar kan ook ondergronds blijven smeulen. "Een brandhaard kan dagen of weken onder de grond aanwezig blijven en later opnieuw oplaaien."
De brand van 1911 was een kantelpunt in de geschiedenis van de Hoge Venen. Na de ramp groeide het besef dat het gebied een uitzonderlijke natuurwaarde had. Wetenschappers, natuurliefhebbers en lokale verenigingen begonnen zich sterker in te zetten voor de bescherming van het hoogveenlandschap.
Dat proces verliep langzaam. Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg het gebied een formeel beschermingsstatuut. Grootschalige herstelprojecten kwamen er pas vanaf het begin van deze eeuw. Daarbij werden drainagegrachten gedempt en werd geprobeerd het veen opnieuw natter te maken.
Herstel is mogelijk
Rampen zoals die van nu en die van 115 jaar geleden richtten enorme schade aan, maar Verstraeten benadrukt dat branden al lang deel uitmaken van de geschiedenis van het gebied en dat herstel mogelijk is. Na de brand van 1911 keerde de vegetatie terug en het gebied behield zijn karakter als uitgestrekt veen- en heidelandschap.
Ook na een andere grote brand in 2011, toen zo'n 1.000 hectare afbrandde, was enkele jaren later op veel plaatsen weinig meer te zien van de directe brandschade.
Volgens de geograaf is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen de zichtbare natuur en het veen zelf. Planten en dieren kunnen zich relatief snel herstellen wanneer de omstandigheden gunstig zijn. Heidevegetatie keert vaak binnen enkele jaren terug en ook veel diersoorten koloniseren een afgebrand gebied opnieuw.
"Het veen dat gedurende duizenden jaren is opgebouwd en dat deels verloren gaat, krijg je niet terug", zegt hij. "Maar dat betekent niet dat het hele verdwijnt. Als het gebied opnieuw voldoende nat wordt, kunnen vegetatie en veel soorten terugkeren."

