In het oosten van Congo is het Instituut voor Tropische Geneeskunde gestart met 2 proefbehandelingen voor ebolapatiënten. Samen met zijn Congolese partner INRB testen de onderzoekers nieuwe medicijnen die de sterftegraad moeten doen dalen. Professor Laurens Liesenborghs diende gisteren de eerste dosis toe.
Vlaamse professor Laurens Liesenborghs dient nieuwe ebolamedicijnen toe in Congo
De ebola-epidemie dijt nog altijd uit in Congo. Er zijn al 1.460 besmettingen geteld en bijna 450 mensen zijn overleden aan de ziekte. "Die epidemie is absoluut niet onder controle, we hollen die achterna." Op anderhalve maand tijd zijn er hier heel veel behandelcentra bijgebouwd, maar zodra er een nieuw opent, zit dat direct vol met patiënten", zegt professor Laurens Liesenborghs van het ITG.
Daarbij komt nog dat het vertrouwen niet groot is in de hulpverleners. Het opvolgen van contacten voor mogelijke besmettingen loopt dan ook moeizaam. "Daardoor krijgen we er moeilijk grip op."
Maar er is "een klein lichtpuntje in een heel moeilijke epidemie". Het eerste klinisch onderzoek naar een medische behandeling voor de specifieke variant die er nu circuleert, de Bundibugyo-variant, is gisteren gestart. Dat meldt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Professor Laurens Liesenborghs van het ITG mocht gisteren in Bunia, in het noordoosten van het land, de eerste medicijnen toedienen. Het instituut voert de studie uit, samen met zijn Congolese partner INRB. En die studie kwam er snel. "Het was een record, anderhalve maand na de start van de uitbraak al de eerste patiënten includeren in een kwalitatieve studie", zegt Liesenborghs met een vleugje euforie en trots.
Het is belangrijk om mensen hoop en een behandeling te bieden, zodat we hen veilig en menswaardig kunnen isoleren
Professor Laurens Liesenborghs, Instituut voor Tropische Geneeskunde
Het doel is om te onderzoeken of 2 antivirale middelen, namelijk MBP134 en remdesivir, de overlevingskansen van besmette patiënten verhogen. "Voor de meer courante Zaïre-variant, zijn er ook geneesmiddelen, maar dan heel specifiek voor die variant. Daarvan hebben we aangetoond dat we de sterfte konden verlagen van 50 naar 35 procent." De sterftegraad bij deze nieuwere variant is wat lager, ongeveer 1 op de 3, maar "dat is natuurlijk nog steeds heel hoog".
"Dat is nog altijd heel hoog, maar dat is een significant verschil. We hebben heel goede hoop dat de aangepaste medicatie voor deze nieuwe variant ongeveer even goed zal werken. Het is heel belangrijk om mensen hoop te bieden en een behandeling, want dat maakt ook dat ze zich aanmelden bij de behandelingscentra en dat we ze op een veilige en menswaardige manier kunnen isoleren. Dat helpt ook bij het indijken van de epidemie."
