Op 24 juni worden 147 Venezolanen vanuit de VS naar hun thuisland Venezuela gedeporteerd. Enkele uren later zijn ze het slachtoffer van een van de zwaarste aardbevingen in het land in meer dan een eeuw. Tot nog toe zouden slechts 12 van hen levend zijn teruggevonden. Familieleden geven de Venezolaanse overheid de schuld.
's Ochtends uit de VS gezet, 's avonds bedolven onder het puin: het tragische verhaal van 147 Venezolaanse migranten
In de voormiddag van woensdag 24 juni landt vlucht 164 op de internationale luchthaven Simón Bolívar. Aan boord 147 Venezolaanse migranten die vanuit Texas naar hun thuisland zijn gedeporteerd. De overgrote meerderheid mannen, maar er zijn ook vrouwen en enkele kinderen bij.
Allen waren ze in de weken en maanden daarvoor opgepakt door agenten van ICE, de Amerikaanse immigratiedienst. Sommigen hadden, al dan niet op vraag van hun familie, voor vrijwillige terugkeer getekend naar het land dat ze ontvlucht waren, op zoek naar een beter leven.
Het hoofd van het Venezolaanse repatriëringsprogramma verspreidt kort na hun aankomst op de luchthaven een video op sociale media, waarin hij benadrukt hoe genereus de overheid is geweest om hen opnieuw naar Venezuela te laten komen. Al vrij snel na het verschijnen ervan regent het reacties onder de video. Mensen herkennen hun familieleden op de beelden en vragen zich af waar ze zijn en waarom ze nog niets van hen gehoord hebben.
Van luchthaven naar detentiecentrum
De 147 worden na aankomst op de luchthaven naar Hotel Santuario La Llanada gebracht, in de deelstaat La Guaira, die later op de dag het zou worden van 2 krachtige aardbevingen.
Hotel Santuario La Llanada is een hotel met weinig luxe op een berg, op een halfuurtje rijden van de hoofdstad Caracas. Ooit werden er daklozen en verslaafden opgevangen, tijdens de covidpandemie was het de plek waar besmette reizigers na aankomst in Venezuela een tijd in isolatie moesten.
Sinds de Venezolaanse regering met de Amerikaanse regering een akkoord heeft gesloten over deportatievluchten, is het hotel een soort detentiecentrum van de nationale inlichtingendienst Sebin, waar teruggestuurde migranten na aankomst worden opgevangen - of vastgehouden, zoals sommigen het noemen. Ze moeten er een medische controle ondergaan, krijgen er eventueel vaccinaties en doorlopen er administratieve procedures. Vorig jaar zouden zo'n 14.000 migranten tijdelijk in dat hotel hebben verbleven.
Sommige Venezolanen van vlucht 164 slagen erin om vanuit het hotel hun families te bereiken. Zo belt een man naar zijn vrouw en vertelt haar dat ze hem de volgende dag naar zijn thuisstad Barquisimeto zullen brengen.
Noodlot slaat toe
Maar in de late namiddag slaat het noodlot toe. Na de 2 krachtige aardbevingen stort het hotel iets na 18 uur volledig in. Foto's en beelden op sociale media laten weinig aan de verbeelding over. De nog maar net teruggekeerde migranten raken bedolven onder het puin.
Over hun lot heerst nog veel onduidelijkheid. 5 dagen na de ramp heeft de Venezolaanse regering nog altijd geen officiële lijst gepubliceerd met de namen van slachtoffers of overlevenden van vlucht 164, schrijft de Spaanse krant El País . Sommigen van hen konden zichzelf bevrijden. Zij beweren dat slechts 12 van de 147 gedeporteerde migranten de ramp hebben overleefd. Officiële bevestiging daarvan is er nog niet.
"Ze smeekten om de deur te openen"
Een van de overlevenden is de 28-jarige Joan. Hij zet het op een lopen wanneer hij de aarde voelt beven. "Toen hij bij de deur was, stortte het hotel in en raakte hij bedolven onder het puin", vertelt zijn vrouw Daniela aan El País. "Hij zegt dat hij het overleefde omdat een stapelbed op hem viel en de matrassen hem hielpen om het gewicht te dragen."
Joan brengt 3 uur onder het puin door, maar slaagt erin om zich eruit te graven. Eenmaal boven probeert hij zoveel mogelijk andere mensen te helpen, maar hij haalt ook meerdere levenloze lichamen vanonder het puin. Er zelf over praten, kan hij nog niet. "Hij is in shock."
Ook Anderson Daniel Salcedo Lozano, 21 jaar, overleeft het. Al betaalt hij een hoge prijs: zijn beide benen worden geamputeerd. Zijn ouders geven de Venezolaanse regering de schuld. Ze horen verhalen van andere overlevenden dat migranten in het hotel smeekten "om de deur open te doen", maar de ambtenaren van Sebin dat niet deden.
"Ze lieten hen opgesloten zitten alsof het dieven of misdadigers waren", klaagt Yulis Salcedo, de moeder van Anderson. "Als er vandaag veel doden zijn, is dat omdat Sebin weigerde de deur te openen. En geen enkele functionaris is hier in het ziekenhuis geweest om naar hen te informeren."
Anderen weten tot op vandaag niet of hun familielid nog in leven is. Zoals de vrouw van Yamil Caldera. Hij zat op vlucht 164, zij zit nog altijd vast in een detentiecentrum in Tucson, Arizona. Niemand kan haar zeggen of haar man nog leeft.
Ook Arturo José Morales tast in het duister over het lot van zijn zoon. Op de dag van de aardbevingen weet hij niet eens dat zijn zoon op vlucht 164 zit. Hij gaat er dan nog van uit dat hij nog altijd in El Paso, in Texas, opgesloten zit. Pas een dag later, de dag dat zijn zoon 25 jaar zou worden, hoort hij van een andere gedeporteerde dat zijn zoon de dag ervoor in het hotel verbleef, maar hij hem nooit heeft zien vertrekken.
5 dagen na de aardbevingen staat het dodental op 1.450. Meer dan 3.000 mensen raakten gewond. De kans dat het aantal doden nog zal oplopen, is groot. Heel veel mensen worden nog altijd vermist. En met name in de zwaar getroffen deelstaat La Guaira komt de hulp maar heel traag op gang.

