Sinds de Iraanse en Amerikaanse blokkade van de Straat van Hormuz zit zo'n 20 procent van de wereldwijde olievoorraad vast in de Perzische Golf. Toch vinden veel Golfstaten een andere uitweg: pijpleidingen. Bestaande leidingen worden opnieuw in gebruik genomen en plannen voor nieuwe infrastructuur raken in een stroomversnelling. Zonder deze cruciale levensader zou de wereldeconomie er aanzienlijk slechter voor staan.
Van Saudi-Arabië tot Irak: hoe Golfstaten noodgedwongen weer inzetten op (oude) pijpleidingen
Sinds maart is het een drukte van jewelste in Yanbu, een Saudische haven aan de Rode Zee. In een mum van tijd is de haven uitgegroeid tot de belangrijkste oliehub van het land. De belangrijkste reden daarvoor: de Amerikaanse en Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz.
Saudi-Arabië is een van de belangrijkste olieproducenten ter wereld. Het land produceert rond de 10 miljoen olievaten per dag, een groot deel van de wereldwijde productie. Maar doordat eerst Iran (en later ook de VS) de belangrijke zeestraat zo goed als volledig hebben afgesloten, zoekt Saudi-Arabië noodgedwongen een andere uitweg voor zijn olie.
Pijpleiding op maximumcapaciteit
Die gedeeltelijke uitweg vindt het land in de Oost-westpijpleiding. Sinds het uitbreken van de oorlog heeft het land het gebruik van deze pijpleiding sterk opgevoerd, met dagelijks zo’n 7 miljoen vaten olie die naar de Yanbu-haven aan de Rode Zee worden vervoerd.
De Oost-westpijpleiding (ook bekend als de Petroline) is een van de belangrijkste stukken energie-infrastructuur van Saudi-Arabië. Ze werd aangelegd in de jaren 80, tijdens de Iran-Irakoorlog. In die periode groeide de angst dat Iran de Straat van Hormuz - en daarmee ook de cruciale doorgang voor olie-export uit de Golf - zou blokkeren.
Uiteindelijk is dat toen nooit gebeurd, tot nu. De huidige crisis toont het strategische belang van dit stukje infrastructuur aan. Dat blijkt ook uit de exportcijfers van de Saudische haven Yanbu, waar de pijpleiding eindigt: die zijn gestegen van 1,6 miljoen vaten per dag vóór de oorlog tot ongeveer 5 miljoen midden april.
Anderen volgen
De situatie in Saudi-Arabië zet ook andere landen aan het denken, ook Irak bijvoorbeeld. Het land heeft al jarenlang geprobeerd een pijpleiding te bouwen van Basra naar de Jordaanse havenstad Aqaba, maar zonder succes. Veel Iraakse parlementsleden hebben banden met Iran, en ze vreesden dat de pijpleiding uiteindelijk gebruikt kon worden om Israël te bevoorraden (via Jordanië), wat in het huidige politieke klimaat van Irak een doodvonnis is voor elk wetsvoorstel.
Dat plan wordt nu herbekeken. Door de crisis wordt dit traject opnieuw gezien als strategisch alternatief voor Hormuz.
Vandaag moet het land improviseren: in april 2026 sloot het een akkoord om olie via een oude pijpleiding naar Turkije te sturen. Na jarenlang stilgelegen te hebben door juridische ruzies tussen Bagdad, de Koerdische Regio (KRG) en Turkije, is de pijpleiding op 19 maart 2026 met spoed heropend.
Op dit moment wordt er circa 250.000 vaten per dag (bpd) doorheen gepompt. Dit is echter nog maar een fractie van de totale Iraakse productie van 4,4 miljoen bpd.
Ook een andere pijpleiding profiteert nu van dit momentum: die van Abu Dhabi naar Fuhairah, net buiten Hormuz, aan de Indische Oceaan. Het is een manier om de blokkade van de Straat van Hormuz te omzeilen. Die route wordt nu intensiever gebruikt sinds de crisis (met een export van ongeveer 2 miljoen vaten per dag), maar er zijn nu ook signalen dat men ook deze pijpleiding verder wil uitbreiden om meer capaciteit buiten de zeestraat te krijgen.
Nieuw strategisch doelwit
Volgens Robin Mills, onderzoeker bij Columbia University Center on Global Energy Policy (CGEP), heeft de crisis in de Straat van Hormuz een kettingreactie in gang gezet waarbij Golfstaten meer inzetten op die alternatieve manieren om olie te exporteren.
"De uitbouw van alternatieve exportroutes zal alleen nog maar versnellen", schrijft hij aan Seatrade Maritime, een gespecialiseerde vaknieuwsbron voor de maritieme sector. Maar toch is deze aanpak geen wonderoplossing. "Zelfs met een versnelde aanpak zouden nieuwe pijpleidingen nog 2 tot 3 jaar vergen. Bovendien blijven politieke factoren, zoals de rol van Irak als mogelijke doorgangsroute, een belangrijke onzekerheid."
Er speelt bovendien nog een andere realiteit: de nieuwe pijpleidingen zijn een gemakkelijk doelwit voor Iraanse drone-aanvallen.
Begin april heeft Iran een aanval uitgevoerd op de Oost-westpijpleiding in Saudi-Arabië, die tijdelijk 700.000 vaten per dag aan capaciteit uitschakelde. Daarnaast vormen de door Iran gesteunde Houthi-rebellen in Jemen een bedreiging voor de scheepvaart in de Rode Zee. Met slechts enkele gerichte aanvallen zouden zij een van de belangrijkste zeeroutes ter wereld ernstig kunnen verstoren.
Een volledige vervanging van de Straat van Hormuz zullen pijpleidingen als de Oost-westverbinding nooit worden. Zelfs op volle capaciteit zit er nog altijd naar schatting 136 miljoen vaten olie vast, maar in een tijd van geopolitieke onzekerheid tonen zulke noodoplossingen hun waarde. In het geval van Saudi-Arabië blijkt een decennia oude investering niet alleen de eigen economie draaiende te houden, maar ook die van de rest van de wereld.

