Om het heden te begrijpen en de toekomst aan te kunnen, moeten we soms diep het verleden induiken. Geschiedenis doet ertoe. Oud zeer kan jarenlang etteren voor het weer uitbarst. De geschiedenis is nooit onvermijdelijk, maar je moet ze wel kennen om te weten waarom de dingen gebeuren zoals ze gebeuren. Deze week richt Björn Soenens zijn blik op gebeurtenissen in Iran van bijna 73 jaar geleden en hoe bepalend die zijn voor de oorlog van vandaag.
De rekening van 1953: hoe een coup in Iran alles veranderde
De blik van Björn
"De ergste vloek die de techniek over ons heeft gebracht, is dat zij het onmogelijk maakt de actualiteit ook maar één seconde te vergeten." Woorden van Stefan Zweig in het beroemde boek 'De wereld van gisteren'. Elke zondag richt Björn Soenens zijn blik op de wereld en wat daarin verschuift en wankelt. Intussen proberen we met z'n allen niet mentaal te bezwijken onder de kolkende nieuwsstroom.
De geschiedenis van het Midden-Oosten wordt vaak verteld als een reeks onvermijdelijke conflicten. Alsof de spanningen tussen Iran, de Verenigde Staten en Israël het logische resultaat zijn van religie, ideologie of eeuwenoude vijandschap. Maar wie dieper graaft, stuit op een moment waarop alles kantelde: de zomer van 1953.
Toen werd in Teheran een democratisch verkozen premier afgezet en gearresteerd: Mohammed Mossadegh. Mossadegh was geen revolutionaire vuurvreter. Hij was een nationalist, een in Zwitserland opgeleide jurist, een excentrieke aristocraat zelfs: zijn moeder was een prinses. Maar hij had één politieke zonde begaan die in Londen en Washington onaanvaardbaar werd geacht: hij had het gewaagd de Iraanse olie-industrie te nationaliseren.
De olie zat in Iraanse bodem, zo redeneerde hij, dus moest de winst ook naar Iran gaan. De rijkdommen van zijn land waren voor zijn volk, dacht hij niet onterecht. Een grondstoffen-nationalist zou je hem kunnen noemen.
Voor Groot-Brittannië, dat via de Anglo-Iranian Oil Company (voorloper van BP) de Iraanse olie controleerde, was dat een regelrechte provocatie. In de koortsige logica van de Koude Oorlog begon ook Washington nerveus te worden. Het Witte Huis van Dwight Eisenhower vreesde dat politieke instabiliteit Iran in de armen van de Sovjet-Unie zou drijven.
En dus gebeurde wat in die jaren wel vaker gebeurde: de democratie moest wijken voor geopolitieke belangen.
Björn Soenens, geopolitiek analist VRT NWS
Het voormalige Perzië was in de Eerste Wereldoorlog nog het toneel van hevige gevechten tussen de Russen en de Ottomaanse Turken. Een strijd om grond en olie (what else?). Na de oorlog gooit een legerofficier de Perzische regering omver: Reza Khan. Khan noemt zich voortaan de sjah van Iran en verandert zijn naam in Pahlavi.
Hij zoekt strategische toenadering tot nazi-Duitsland in de jaren 30 en vroege jaren 40. Hij doet dit in de eerste plaats om de invloed van Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie in Iran te verminderen, niet noodzakelijkerwijs uit sympathie voor het nazisme. De Britten en de Russen dwingen hem in 1941 echter tot troonsafstand ten voordele van zijn zoon Mohammed Reza Pahlavi.
De oude sjah wordt verbannen naar Zuid-Afrika. De Britten en de Sovjets mogen in WO II hun troepen stationeren in Iran en mogen de Trans-Iraanse spoorweg gebruiken om olie te vervoeren. De Britten behandelen Iran als een kolonie en pakken de olie alsof die van hen is. Iran krijgt de kruimels terwijl de Britten met vele miljoenen ponden olieopbrengsten aan de haal gaan.
In 1951 eisen Iraanse nationalisten onder leiding van de legitiem verkozen premier Mohammed Mossadegh dat het afgelopen moet zijn met de Britse controle over de Iraanse oliebronnen. Mossadegh nationaliseert daarop de olie-industrie en hij sympathiseert met Moskou.
Staatsgreep van CIA en MI6
Met propaganda, geld en zorgvuldig georkestreerde straatprotesten organiseerden de Amerikaanse CIA en de Britse MI6 vervolgens een staatsgreep. De architect van die staatsgreep is Kermit Roosevelt Jr, de kleinzoon van oud-president Teddy Roosevelt. Roosevelt - CIA-codenaam Boy Scout - organiseerde inderdaad opgezette betogingen tegen Mossadegh en de politie van Teheran kreeg via hem veel geld om de echte tegendemonstraties neer te slaan.
Op het hoogtepunt van de politieke crisis in augustus 1953 probeert de sjah zijn premier, Mossadegh, te ontslaan. Als dat mislukt, ontvlucht de sjah tijdelijk het land, naar Rome. Mossadegh wordt afgezet op 19 augustus 1953. De sjah keert terug en grijpt met Britse en Amerikaanse steun de (al)macht.
Mohammad Reza Shah Pahlavi wordt de onbetwiste leider, die zal doen wat het Westen van hem verlangt. Operatie Ajax was gelukt: Churchill en Eisenhower herwonnen de controle over de Iraanse olievelden.
Voor het Westen leek het een strategische overwinning. Iran bleef een bondgenoot en de olie bleef stromen. Maar onder de oppervlakte begon een andere geschiedenis te groeien. De sjah moderniseerde het land met grote, soms megalomane ambities: industrie, infrastructuur, onderwijs. De zogenaamde 'Witte Revolutie'. Onderdrukking van het volk met westerse goedkeuring.
Het land veramerikaniseerde. De vrouwen in Teheran droegen minirokjes, bikini's en hadden vaak onbedekt haar. Er was geen zedenpolitie zoals nu. Al die verwestering wekte ook grote vervreemding en weerstand op, zeker bij de verpauperde groepen van de Iraanse bevolking. Tegelijk regeerde de sjah met steeds hardere hand.
De oppositie werd onderdrukt, critici verdwenen in gevangenissen van de gevreesde geheime politie, de Savak, berucht om de folterkamers. Voor veel Iraniërs werd de monarchie het symbool van buitenlandse inmenging — een regime dat overeind werd gehouden door de Amerikanen.
In dat groeiende gevoel van vernedering en onrecht lag allicht de kiem van een revolutie. Die revolutie kwam er in 1979. De sjah vluchtte het land uit. In zijn plaats verscheen een man die jarenlang in ballingschap had zitten wachten: Ruhollah Khomeini. Iran veranderde in een islamitische republiek, geleid door geestelijken — de ayatollahs. Khomeini was 76 toen hij terugkeerde naar Iran. Hij stichtte een theocratie met heel veel onvrijheid die tientallen miljoenen Iraniërs nu haten.
Dan kwam de bezetting van de Amerikaanse ambassade. Het begin van een vijandschap die nooit meer genezen is. Nieuwe olieschokken waren vanaf eind 1979 enorm voelbaar: in Amerika stonden enorme rijen aan de bijna lege benzinepompen. De inflatie bereikte ongekende hoogtes. Er waren energietekorten, en Amerikaans president Jimmy Carter raadde zijn landgenoten aan om een extra trui aan te trekken. Onrust en ontwrichting raakten overal in de westerse wereld de economieën in het hart. Er kwam flink wat sociale onrust en ontevredenheid. Al gemerkt wat er zich nu, 47 jaar later, andermaal aan het voltrekken is?
Die onrust van toen bracht op vele plekken ook conservatieve leiders aan de macht, zoals Thatcher en Kohl. Voor Jimmy Carter was Iran zelfs min of meer het nekschot voor zijn presidentschap. Reagan nam zijn plaats in. Wat voor het Westen een schok was, voelde voor veel Iraniërs als een historische rechtzetting.
De coup van 1953 werd het bewijsverhaal van buitenlandse manipulatie. Het moment waarop een democratische toekomst werd ingeruild voor strategische belangen. Sindsdien staan Iran en het Westen vaak lijnrecht tegenover elkaar.
Björn Soenens
De Verenigde Staten zien het regime al bijna een halve eeuw als een destabiliserende kracht in het Midden-Oosten. Israël beschouwt Iran als een existentiële bedreiging en trekt daarom ten oorlog, om het regime in Iran en al wie met hen samenspant (Hezbollah, Hamas, Houthi’s) te vernietigen. De spanningen stijgen, conflicten laaien op, en in de schaduw van geopolitieke rivaliteit dreigt vandaag nog méér verwoestend geweld.
Zo krijgt 1953 een erg wrange nasmaak. Een operatie die zogezegd stabiliteit moest garanderen, hielp uiteindelijk het tegenovergestelde te creëren: een regime dat zijn legitimiteit voor een groot deel ontleent aan verzet tegen het Westen.
Dit is de structuur: elke Iraanse leider die de revue is gepasseerd, elke revolutionaire garde die de wapens heeft opgepakt, elke nucleaire centrifuge die heeft gedraaid, allemaal draaiden ze op de brandstof van 1953. Het zit in het collectieve geheugen van Iran.
En nu, in maart 2026, vallen de bommen. Maar het begint in 1953. Toen heeft het Westen de Iraanse democratie de nek omgewrongen. De ayatollah's kunnen dat uiteraard nooit ofte nimmer als excuus of vergoelijking gebruiken, maar het heeft de Perzische geschiedenis wel in een totaal andere richting gestuurd.
Het drama van het verleden
We oogsten misschien wat er toen is gezaaid. Wat zou er zijn gebeurd mocht de democratisch verkozen Mossadegh niet van de macht zijn verdreven door een coup? Mogelijk had veel leed en een grote tragedie voorkomen kunnen worden. Maar zo werkt de wereld kennelijk niet. Westerlingen vertellen vaak het mooie verhaal dat ze graag democratie exporteren, maar kennelijk kan je democratie ook afpakken als de olie zich aan de foute kant bevindt.
De geschiedenis is nooit onontkoombaar. Ze heeft soms een lange adem en ze kan lang nagalmen. Beslissingen ooit in geheime kamers genomen, verdwijnen niet zomaar.
Dramatische wendingen blijven soms ruim 70 jaar lang rondspoken, tot vandaag. Of zoals de zwarte schrijver James Baldwin het ooit verwoordde: “History is not the past. It is the present. We carry our history with us.” In Iran is dat geen metafoor. Het is dagelijkse realiteit.


