Als het van de federale regering afhangt, krijgen alle werknemers en contractuele ambtenaren tegen 2035 een aanvullend pensioen, waarvoor de werkgevers minstens 3 procent moeten bijdragen. Maar een blik op de cijfers wijst dat er dan nog bijzonder veel werk aan de winkel is. En goedkoop is die maatregel al helemaal niet.
Een aanvullende pensioenpot voor iedereen, zoals de regering wil? Dat zal tijd en (veel) geld kosten
In het kort:
De federale regering wil dat alle werknemers en contractuele ambtenaren tegen 2035 een aanvullend pensioen krijgen, met minstens 3 procent werkgeversbijdrage.
Vandaag heeft 1 op de 3 werknemers geen aanvullend pensioen en bijna 8 op de 10 werknemers haalt de doelstelling van 3 procent werkgeversbijdrage nog niet.
De geschatte kosten om die doelstelling te halen, lopen in de miljarden.
"We moeten besparen op de pensioenen, dus dan moeten we méér geld uitgeven aan de pensioenen." Met die boutade kreeg Steven Janssen, algemeen directeur van Sigedis, de vzw die de data over de aanvullende pensioenen beheert, de lachers op de hand tijdens een studiedag.
Het was een knipoog naar wat verschillende sprekers er hadden geconcludeerd: dat de weg naar een veralgemening van het aanvullend pensioen, de zogenoemde 'tweede pijler', nog lang en duur is.
Het aanvullende pensioen is een extra pensioenspaarpot die veel werknemers vandaag al kunnen opbouwen via een pensioenfonds of een groepsverzekering van hun werkgever. Dat gebeurt ofwel via eigen (werknemers)bijdragen, via werkgeversbijdragen, en vaak allebei.
De federale regering heeft onder meer in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken om dat voordeel te veralgemenen voor alle werknemers en contractuele ambtenaren. En de werkgeversbijdragen zouden voor al die mensen tegen ten laatste 2035 minstens op 3 procent van hun loon moeten liggen.
1 op de 3 heeft geen aanvullend pensioen
Wie in de cijfers van Sigedis duikt, leert dat er in dat geval nog bijzonder veel werk aan de winkel is. De verschillen zijn vandaag nog erg groot. Zo krijgt bijvoorbeeld 1 op de 3 werknemers - dat zijn ruim 1,3 miljoen mensen - nog altijd geen aanvullend pensioen.
In de groep met de laagste lonen is dat zelfs 64 procent van de werknemers. Bij de hoogste lonen heeft daarentegen maar een dikke 1 op de 10 werknemers geen tweede pijler.
Nog eens 46 procent van de werknemers - meer dan 1,8 miljoen mensen - hebben wel een aanvullend pensioen, maar dan met werkgeversbijdragen onder de doelstelling van 3 procent. Bij de laagste lonen gaat dat om 9 op de 10 werknemers.
Ongeveer tweederde van de groep die nog geen 3 procent haalt, moet zijn bijdrage minstens zien verdubbelen om aan die grens te komen.
Wat moet dat kosten?
De rekenwonders onder u hebben in bovenstaande grafiek gezien dat bijna 8 op de 10 werknemers nog niet aan het federale streefcijfer zitten. Dat wordt een stevig tandje bijsteken dus. Maar dat heeft ook een prijs, rekent Sigedis uit.
Alleen al de mensen zonder aanvullend pensioen naar minstens 3 procent werkgeversbijdragen trekken, kost meer dan 871 miljoen euro. Tel daar nog eens bijna 1,1 miljard euro bij om de werknemers die wel al een aanvullend pensioen hebben op het juiste niveau te krijgen. Dat betekent dat werkgevers allemaal samen dus een kleine 2 miljard euro moeten ophoesten om aan die doelstelling te geraken.
En ook voor de overheid kost dit heel wat, becijferde Joy Schols, onderzoeker aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (CeSO) van de KU Leuven. De overheid subsidieert namelijk - via belastingvoordelen en aantrekkelijke socialezekerheidsbijdragen - de stortingen en rendementen van werknemers en werkgevers in de aanvullende pensioenplannen.
Volgens de rekensom van Schols liepen de totale overheidsuitgaven aan de tweede pijler in 2019 bijvoorbeeld op tot 2,1 miljard euro. Dat bedrag zal vandaag wellicht al hoger liggen en zal uiteraard nog stijgen als alle werkgevers minstens 3 procent moeten bijdragen.
En die tweede pijler voor ambtenaren?
En wat dan met de beloofde tweede pijler voor ambtenaren, die vandaag nog niet bestaat? Want ook dat is aangekondigd in het regeerakkoord: dat er een aanvullend pensioen komt voor vastbenoemde ambtenaren, althans: "Zodra hun pensioen gelijk is aan dat van contractuelen".
Volgens de Vergrijzingscommissie daalt het gemiddelde ambtenarenpensioen door de huidige hervormingen tegen 2070 met bijna 12 procent. Bij sommige groepen ambtenaren is dat zelfs meer dan 20 procent. "Je kunt je dus moeilijk voorstellen dat er geen tweede pijler komt om dat te compenseren", analyseert professor Pierre Devolder (UCL).
Je moest gisteren al begonnen zijn met de opbouw van die tweede pijler, niet over 15 of 20 jaar
Pierre Devolder, professor en pensioenexpert van UCL
Devolder waarschuwt wel voor de "onbegrijpelijke" redenering van de regering dat die tweede pijler er pas komt als de pensioenen van contractuelen en ambtenaren gelijk zijn. "Dat is alsof ik pas vitaminen op mijn sterfbed neem. Je moest gisteren al begonnen zijn met de opbouw van die tweede pijler, niet over 15 of 20 jaar. Anders offer je gewoon een generatie op."
Zijn oproep: ofwel verlaag je de eerste pijler van de ambtenaren minder snel, ofwel moet je je haasten met de tweede pijler. "In de plannen van de regering is het andersom: de besparingen op de eerste pijler gaan erg snel, maar de groei van de tweede pijler blijft bij intenties."

