De regering wil het gat in de begroting verkleinen door een groot deel van de lonen en pensioenen minder te laten stijgen dan normaal. Het principe van het aftoppen van de index ligt vast, maar over de uitwerking is nog veel onduidelijk.
Wat als ik deeltijds werk? En zal mijn indexering in januari al lager liggen? Dit weten we (nog niet) over de 'centenindex'
We beginnen bij het begin: ons land kent een systeem van automatische indexering. Dat wil zeggen dat de lonen, pensioenen en uitkeringen meestijgen als het leven duurder wordt. De bedoeling is om zo de koopkracht te beschermen. Bijna nergens ter wereld wordt de automatische loonindexering zo breed toegepast als in België.
De indexering gebeurt niet voor iedereen op dezelfde manier en op hetzelfde moment. Dat hangt af van je statuut en tot welke sector of paritair comité je bedrijf hoort.
De grootste groep - het overheidspersoneel en ongeveer de helft van de werknemers in privésectoren - ziet het loon stijgen bij de overschrijding van de spilindex. Dat gebeurt wanneer de levensduurte een bepaald, op voorhand vastgelegd, niveau bereikt. Enkele maanden na de overschrijding ziet die groep het loon stijgen met 2 procent. Dat geldt ook voor pensioenen en uitkeringen. Als het leven snel duurder wordt kan de spilindex meerdere keren per jaar overschreden worden - bijvoorbeeld 5 keer tijdens de inflatieopstoot in 2022. Maar het kan even goed zijn dat de spilindex een jaar lang niet overschreden wordt.
Voor ongeveer 40 procent van werknemers in privésectoren gebeurt de aanpassing van het loon 1 keer per jaar, meestal in januari. Ook als het leven snel duurder wordt, stijgt hun loon slechts jaarlijks, maar in dat geval is het percentage wel veel hoger. In januari 2023 kregen velen onder hen bijvoorbeeld een loonsverhoging van 12 procent, als compensatie voor de hoge inflatie in 2022.
Voor nog andere groepen of sectoren is vastgelegd dat de indexering halfjaarlijks, driemaandelijks of (twee)maandelijks plaatsvindt. Al is dat enkel het geval bij een kleine minderheid van de werknemers.
De regering heeft besloten om de automatische indexering de komende jaren 2 keer niet volledig toe te passen. Dat is het geval voor mensen die meer dan 4000 euro bruto per maand verdienen.
Voor iedereen die minder verdient, verandert er helemaal niets. Ook als de inflatie fors toeneemt en het leven plots veel duurder wordt, zal de automatische indexering volledig worden toegepast.
Mensen die meer verdienen, verliezen geld door deze maatregel. Het deel van hun loon of uitkering boven het plafond dat de regering nu heeft vastgelegd wordt niet geïndexeerd. 2 keer zal hun loon dus minder stijgen dan bij een normale indexering.
Normaal is de hoogte van het bedrag waarmee je loon stijgt bij een indexering afhankelijk van hoe hoog dat loon is. Wie meer verdient ziet zijn loon meer stijgen, omdat de index een percentage is.
Voor mensen met loon boven de 4.000 euro bruto zal dat niet meer het geval zijn. Zij krijgen allemaal hetzelfde bedrag als iemand met een loon van precies 4.000 euro bruto. Vandaar dat men spreekt van een "centenindex", in tegenstelling tot de normale "procentenindex". Hoe meer je verdient, hoe meer impact de maatregel heeft.
Enkele voorbeelden van de concrete impact als je indexering de spilindex volgt:
1. Je verdient 3.800 bruto euro. Er verandert niks. De indexering van 2 procent blijft op het volledige loon gelden. De persoon zal na de indexering een brutoloon hebben van 3.876 euro.
2. Je verdient 5.100 euro bruto. De indexering van het loon geldt enkel op de eerste 4.000 euro. De persoon zal na de indexering een brutoloon hebben van 5.180 euro per maand in plaats van 5.202 euro per maand.
De impact is dus niet beperkt tot die 2 keer een lagere netto-bedrag als index. Ook latere indexeringen (wel volledig) bouwen verder op je vorige loon, omdat het gaat om een percentage. Hoe langer je nog moet werken, hoe groter de impact.
Dat is voorlopig onduidelijk. Omdat het systeem van de automatische indexering zo ingewikkeld is, heeft de regering nog tijd nodig om alle details uit te werken.
Vorige week in het parlement garandeerde premier De Wever wel dat "de inspanning voor iedereen gelijkaardig moet zijn, ongeacht het mechanisme of moment van indexering".
Of je je loon dus ziet stijgen bij het overschrijden van de spilindex met 2 procent of op een ander moment met een ander percentage, de regels zullen zo gemaakt worden dat de impact voor iedereen gelijk is.
Het principe staat vast: de inperking van index 2 keer zal gelden op een indexering van 2 procent op het stuk boven het plafond. Wanneer precies en met welke berekeningsmethode dit zal toepast worden, zal pas later duidelijk zijn.
Dat is voorlopig onduidelijk. De Wever had het over "1 keer in 2026 en 1 keer in 2028". Maar omdat het moment en percentage van de index voor veel sectoren verschilt, zal de timing waarschijnlijk niet voor iedereen gelijk zijn.
Veel mensen krijgen bijvoorbeeld een indexering op 1 januari 2026. Dat geldt onder meer voor het grootste paritair comité voor bedienden en voor werknemers uit de voedingsindustrie, de horeca en de transportsector. De kans dat die indexering al onder de nieuwe regels valt is klein, omdat de wet tegen dan niet gestemd geraakt in het parlement. Het is onduidelijk of voor die groep de indexering dan toch in 2027 lager zal zijn, of nog op een andere manier wordt doorgevoerd. Het is alleszins niet zo dat retroactief loon kan worden teruggevorderd.
Hoe snel het leven duurder wordt, valt bovendien niet te voorspellen. En daar hangt het hele indexsysteem aan vast. Als de inflatie in 2028 uitzonderlijk laag blijkt, is mogelijk dat dat jaar de spilindex niet overschreden wordt en de index dus ook niet afgetopt kan worden.
De komende dagen en weken zit de regering samen om alle details concreet uit te werken.
Daarover is nog niets bekend. Maar uitsluitsel daarover is wel belangrijk omdat het gevaar voor een ongelijke behandeling om de hoek loert.
Een werknemer die halftijds werkt aan 3.000 euro bruto, verdient verhoudingsgewijs (per uur) meer dan iemand die voltijds 4.200 euro, maar zou niet door de maatregel getroffen worden.
Dat gevaar voor discriminatie is er ook op andere manieren. Zo rijst de vraag wat allemaal onder de berekening van het brutoloon valt: tellen premies voor nacht- en ploegenarbeid bijvoorbeeld ook mee? Wat met overuren?
Bovendien verdienen veel arbeiders niet elke maand evenveel, omdat ze vaak per uur betaald worden. Als dat loon net schommelt rond 4.000 euro bruto kunnen ze net wel of net niet geraakt worden door de maatregel.
Ja. Het vakantiegeld en eindejaarspremie zijn afgeleiden van het brutoloon. Een lagere indexatie daarvan heeft dus ook impact op andere vergoedingen die afgeleid zijn van het brutoloon.
Voor de werkgevers is er goed en slecht nieuws.
Een lagere index betekent dat ze minder loon moeten uitkeren. Dat is goed voor het concurrentiekracht van bedrijven. Wanneer in het verleden een (gedeeltelijke) indexsprong werd toegepast, was dat ook steeds het doel: de loonkosten voor bedrijven verlagen.
Maar door de slechte staat waarin onze begroting zich bevindt, wil de regering een deel van de winst afromen die bedrijven boeken met aftopping van de index. Daarom is er beslist dat ze de helft van de loonkost die ze uitsparen moeten doorstorten naar de overheid. Waarschijnlijk zal dat via de belastingen gebeuren, net als bij de indexsprongen in de jaren '80.
Zo hoopt de regering dat de aftopping van de index in 2028 bijna 900 miljoen euro oplevert om het gat in de begroting te verkleinen.
De maatregel geldt niet enkel voor lonen, maar ook voor alle uitkeringen. Daar vallen ook de pensioenen onder. Het plafond is daarvoor niet 4.000 euro, maar 2.000 euro bruto.
Een voorbeeld:
Iemand krijgt een pensioen van 2600 euro bruto. De persoon zal na de indexering een brutopensioen hebben van 2640 euro per maand in plaats van 2652 euro per maand.
Veel gepensioneerden vragen zich af of er een ander plafond zal gelden voor het gezinspensioen. Dat is een gezamenlijke pensioenuitkering voor een gehuwd koppel waarvan één iemand geen of een heel laag pensioen heeft. Voorlopig zijn er geen signalen dat daarvoor een ander plafond zou gelden.
Een exact cijfer is er niet, maar een groot deel van de Belgen verdient meer of krijgt een hogere uitkering dan de plafonds die de regering heeft vastgelegd.
Volgens de hr-dienstverlener Partena heeft 41 procent van de werknemers een loon boven de 4.000 euro bruto per maand. Ook iets minder dan de helft van de gepensioneerden krijgt meer dan het plafond van 2.000 euro bruto per maand.
Dit artikel wordt aangevuld met nieuwe informatie wanneer die beschikbaar is.

