Door de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd naar 66 jaar zijn in de eerste 5 maanden van het jaar zo'n 22.000 mensen minder met pensioen gegaan dan in dezelfde periode in 2024. Dat heeft geleid tot 100 miljoen euro minder pensioenuitgaven, blijkt uit berekeningen van de Federale Pensioendienst die De Tijd opgevraagd heeft. De cijfers zijn bevestigd aan onze redactie.
Begin dit jaar werd de wettelijke pensioenleeftijd in ons land verhoogd van 65 naar 66 jaar. Dat gebeurde na een beslissing van de regering-Michel in 2014. In 2030 volgt een nieuwe verhoging naar 67 jaar. De laatste Belgen die van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar konden gebruikmaken, waren zij die in december vorig jaar 65 werden. Ze konden op 1 januari 2025 met wettelijk pensioen. Zij die in januari 2025, de kaap van 65 jaar namen, kunnen pas met wettelijk pensioen op 1 februari 2026, wanneer ze 66 jaar zijn geworden.
Die sprong reflecteert zich duidelijk in het aantal pensioneringen, blijkt uit cijfers van de Federale Pensioendienst. "Van februari (de maand waarin de maatregel effectief gevolgen heeft, red.) tot en met april gingen 60 procent minder mensen met rustpensioen dan in dezelfde periode in 2024", zegt woordvoerder Vik Beullens.
Opgeteld gingen in de eerste 5 maanden zo'n 22.000 minder mensen met pensioen dan in dezelfde periode vorig jaar. "Gaan we uit van een gemiddeld pensioenbedrag van 1.850 euro per maand, dan gaat het in de periode februari tot en met mei om een totale (cumulatieve) besparing van 100 miljoen euro."

