"Met enkele kleine aanpassingen raak je een heel eind om je tuin biodivers te maken." Dat zegt Werner Van Craenenbroeck, projectleider van het Tuinrangersproject. Die organisatie geeft gratis advies op maat aan mensen die hun tuin natuurvriendelijker willen inrichten. "Bijna 12 procent van Vlaanderen bestaat uit tuinen en terrassen. Als we die oppervlakte goed benutten, kunnen we echt iets betekenen voor insecten en andere dieren." 8 tips op een rij.
"Met 1 bloempot ben je al een redder in nood": Tuinrangers geven 8 tips voor meer biodiversiteit in je tuin
1. Het formaat van je tuin speelt geen rol
Je hoeft geen tuin van 10 are in een landelijke gemeente te bezitten om een verschil te maken. "Heb je een stadstuin of terras, dan kan je bijvoorbeeld in de hoogte werken met klimplanten of een verticaal plantenrek. Je kan ook een nestkastje of bijenhotel aan de muur plaatsen, een drinkplekje voor vogels voorzien of een bloemenborder langs je omheining planten."
Het lijkt misschien niet veel, maar het heeft wel degelijk impact, aldus Van Craenenbroeck. "Hommels bijvoorbeeld kunnen slechts een half uur vliegen, daarna moeten ze nectar bijtanken of ze vallen uit de lucht. Met 1 bloempot op je balkon ben je voor hen al een redder in nood."
2. Gebruik geen pesticiden
"Misschien wel de belangrijkste tip", benadrukt Van Craenenbroeck. "Zelfs biologische pesticiden richten een ravage aan. Probleem is dat pesticiden nooit selectief zijn. Ja, ze doden bladluizen zoals op de verpakking staat – maar ook andere insecten sterven. En al overleven die het, dan nog ondervinden ze nadelen. Onderzoek wijst bijvoorbeeld uit dat insecticiden een negatief effect hebben op het oriëntatievermogen van bijen en hommels. In insectenetende vogels zoals mezen stapelen de pesticiden zich dan weer op."
Planten kunnen meer aan dan je denkt en hebben geen vergif nodig. "Het is niet omdat enkele blaadjes zijn aangevreten, dat ze doodgaan. Gezonde planten kunnen tegen vraat, net zoals de mens tegen muggenbeten kan."
3. Plant zoveel mogelijk inheemse planten
Wat die planten betreft, is het volgens Van Craenenbroeck belangrijk om voor inheemse soorten te kiezen. "Dat zijn planten die hier sinds de laatste ijstijd voorkomen. Onze dieren hebben zich daaraan doorheen de eeuwen heen aangepast. Van een inheemse zomer- of wintereik kunnen 500 beestjes leven, met een Amerikaanse eik kan slechts een handvol insecten iets aanvangen."
Betekent dit dat je helemaal geen buxus of tulpen in je tuin mag planten? "Enkele uitheemse bloemen of planten zijn geen probleem. Ook een lavendel- of vlinderstruik zorgt immers voor nectar, CO2-opslag en groen – maar als je moet kiezen tussen een exotische palmboom of een inheemse vlierstruik, zou ik toch voor die laatste gaan."
4. Hou je gazon zo klein mogelijk en beperk verharding
"Vlamingen hebben nogal eens de neiging om in hun tuin een grote grasmat aan te leggen, met misschien een dun randje met wat bloemen eromheen. Doe het liever omgekeerd", adviseert Van Craenenbroeck.
"Leg gazon aan waar je het nodig hebt en maak van de rest van je tuin een lappendeken aan verschillende biotoopjes: een bloemenweide, een composthoop, een vijvertje… Hoe meer variatie voor de natuur, hoe beter. Probeer ook de oppervlakte van een terras of tuinpad te beperken en werk met waterdoorlatende materialen."
5. Breng structuur aan via hoge borders, struiken en bomen
Wil je graag veel dieren in je tuin, dan moet je meer voorzien dan alleen maar voedsel. Ze hebben ook beschutting nodig: een plek waar ze een nest kunnen bouwen, waar ze kunnen schuilen voor slecht weer of waar ze kunnen slapen.
"Dat doen ze liefst in dichte vegetatie zoals struikgewas, een haag, een klimplant of hoog in een boom", aldus Van Craenenbroeck. "Geneer je bijvoorbeeld niet om je vlierstruik 3 bij 5 meter groot te laten worden. Het is op zo’n plaats dat een vogel zich zal nestelen, niet in een haag van 30 centimeter breed waar de kat er direct aan kan."
6. Doe iets met water
Water brengt leven in je tuin, zeker in tijden van droogte. Zelfs een klein drinkplekje voor vogels of egels maakt al een groot verschil. "Het hoeft geen grote vijver te zijn", zegt Van Craenenbroeck. "Een halve houten ton met waterplantjes, een ingegraven teil of een minivijver met inheemse soorten kan al waterjuffers, libellen, salamanders en zelfs kikkers aantrekken."
Wie bang is voor muggen, hoeft zich geen zorgen te maken: "Muggenlarven overleven niet in een natuurlijke vijver met libellen, salamanders of waterkevers – die eten niets liever. Het echte probleem zijn vergeten emmertjes regenwater of regentonnen zonder deksel."
Een pompje of fonteintje mag, maar is niet nodig. "Tenzij je vissen houdt – die hebben zuurstof nodig. Maar vissen zijn minder interessant voor biodiversiteit: ze eten jonge salamanders, kikkervisjes en kevers op."
7. Afval is leven
Laat je tuin gerust wat 'rommeliger' worden en doe aan kringlooptuinieren. "Heel wat dieren gebruiken dood materiaal als voedsel, schuilplek of kraamkamer", vertelt Van Craenenbroeck. "Egels houden hun winterslaap in een hoop bladeren, salamanders overwinteren onder vochtige houtblokken, vogels zoeken naar zaadjes in uitgebloeide planten en insecten nestelen zich in holle stengels."
Je hoeft met andere woorden niet alles af te voeren naar het containerpark. "Maak een takkenwal, composthoop of bladhoop: het wordt vaak het meest biodiverse stukje van je tuin. Onder dat natuurlijke 'afval' krioelt het van de wormen, kevers en andere beestjes."
Wie het liever netjes houdt, kan een recyclagehoekje afboorden met een haag of een rek met klimplanten. "Zo’n hoekje geeft structuur en blijft esthetisch, maar je doet er heel wat soorten een plezier mee."
8. Wees geduldig en ga op ontdekking
Een natuurvriendelijke tuin vraagt geduld. "Wie meteen een perfect ogende tuin wil, kiest vaak voor volgroeide planten, graszoden en een strak plan. Dat lijkt in het eerste jaar indrukwekkend, maar blijft daarna vaak decennia ongewijzigd. Werken met volgroeide planten is bovendien niet erg milieuvriendelijk."
Een natuurlijke tuin daarentegen groeit, rijpt en verandert voortdurend. "Zaden kiemen soms pas na een jaar, struiken groeien langzaam, insecten en vogels vinden geleidelijk hun weg. Als je de tijd neemt, wordt het resultaat veel rijker én duurzamer. En het vraagt minder werk dan je denkt: je hoeft geen perkplantjes elk jaar te vervangen of elke week het gras te maaien."
Van Craenenbroeck besluit: "De mooiste natuur ontstaat vanzelf, áls we haar de ruimte geven. Daar kan elke tuin, groot of klein, aan bijdragen."

