In 2024 stierven in Vlaanderen opnieuw meer mensen dan er geboren werden. De trend, die zich sinds 2020 inzet, lijkt daarmee structureel te worden. Dat blijkt uit cijfers van Statistiek Vlaanderen, die een uitsplitsing zijn van de Statbel-cijfers van vorige maand.
Met bijna 61.800 geboorten - 31.600 jongens en 30.200 meisjes - en bijna 65.500 overlijdens bedroeg het natuurlijk saldo, het verschil tussen het aantal geboorten en overlijdens, in het Vlaamse Gewest vorig jaar -3.700.
Zo'n negatief natuurlijk saldo dook in 2020 voor het eerst in bijna tachtig jaar weer op, vooral door de coronapandemie die het aantal overlijdens toen fors deed stijgen.
Het jaar nadien werden er wel weer meer geboorten dan overlijdens geregistreerd, maar de heropleving was van korte duur want 2022 en vervolgens ook 2023 eindigden opnieuw met een negatief natuurlijk saldo.
Toch groeide de bevolking in Vlaanderen wel met een kleine 0,6 procent, wat te danken is aan migratie.
Op 1 januari dit jaar telde het Vlaamse Gewest 6.865.000 inwoners, ongeveer 43.000 meer dan begin 2024. Dat brengt ons bij een bevolkingsdichtheid van gemiddeld 504 inwoners per km2.
Naast de uitdaging van de negatieve natuurlijke bevolkingsbalans ondergaat het Vlaams Gewest momenteel ook op andere vlakken een aanzienlijke demografische transformatie. Zo neemt de vergrijzing verder toe en maken klassieke gezinsstructuren steeds meer plaats voor nieuwe woonvormen.
Volgens de cijfers van Statistiek Vlaanderen was op 1 januari 2025 meer dan 19 procent van de bevolking 67 jaar of ouder, terwijl dat in het jaar 2000 nog minder dan 15 procent was.
Dat is vooral te wijten aan de generatie van de babyboomers die nu doorschuift naar de hoogste leeftijdsgroepen. De 85-plussers maakten begin januari 2025 iets meer dan 3 procent van de totale bevolking uit, tegenover minder dan 2 procent in 2000, en het aantal honderdjarigen steeg over die periode van minder dan 500 naar bijna 1.900.
Alleenwonenden grootste groep
Tot slot ondergaan ook de Vlaamse huishoudens een stille revolutie. De gemiddelde huishoudgrootte daalde verder van 2,44 personen in 2000 naar 2,28 begin 2025 en er komen steeds meer éénpersoonshuishoudens bij.
Alleenwonenden vormen het meest voorkomende huishoudtype, goed voor een aandeel van inmiddels 33 procent. De groei van het aantal alleenwonenden is bovendien het sterkst bij de 67-plussers, wat in de toekomst voor extra uitdagingen belooft te zorgen op vlak van woonbeleid, zorg en sociale voorzieningen.

