Precies 75 jaar geleden werd communistenleider Julien Lahaut vermoord op de drempel van zijn woonhuis. De misdaad geldt nog steeds als een van de beruchtste politieke moorden uit de Belgische geschiedenis. Jos Vandervelden koos de plaats van de moord uit als een van de 100 beslissende plekken in het boek "Het verhaal van België" (Uitgeverij Pelckmans). Fotograaf Alexander Dumarey vond het huis waar Lahaut destijds woonde terug in Seraing.
Terug naar de plaats van de misdaad, 75 jaar na de politieke moord op Julien Lahaut
Niets lijkt veranderd in de Rue de la Vecquée in Seraing. Op een zachte zomeravond moet het hier zijn zoals op 18 augustus 1950, toen op nummer 65 twee mannen aanbelden. Toen ze aan mevrouw Lahaut vroegen of ze haar man konden spreken en hem daarna in de deuropening enkele kogels door het lijf joegen. Julien Lahaut, de gevierde communistenleider, lag dood op de drempel van zijn nieuwe rijwoning. Het huis van Lahaut is ook nu nog een alledaagse rijwoning, hier en daar wat verbouwd en getooid met een bescheiden herdenkingsplaat. De straat, de plaveien, de huizen, alles ademt op deze plek nog de jaren vijftig.
De straatnaam is deels herdoopt tot Rue Julien Lahaut, een eerbetoon van de stad Seraing. De voorstad van Luik was eens de wieg van de industriële revolutie, waar hoogovens, gieterijen en walserijen de motor van het land België voedden. Maar tevens de stad die in het midden van vorige eeuw geleidelijk de rol moest lossen, waar fabrieken een voor een sloten, de huizenhoge staalovens als dystopische monsters achterbleven en de gebroeders Dardenne films maakten over sociale achterstand.
Nooit was de verbroedering zo groot in Seraing als in de dagen na de dood van Julien Lahaut. Zowat 150.000 mensen zorgden in de stad voor een overweldigende begrafenisoptocht. Op het kerkhof van de stad kreeg Lahaut een metershoog standbeeld dat de man toonde met geheven armen, zo bewogen als hij de arbeidersmassa toesprak. Meteen na de moord startte de eerste van een eindeloze reeks daderonderzoeken door het Luikse gerecht. Veertien jaar lang verkenden de onderzoekers allerlei pistes en stelden ze een dossier van elfduizend pagina’s samen. Zonder materiële bewijzen en directe getuigenissen werd de zaak in 1972 verjaard verklaard.
Julien Lahaut was 65 toen hij vermoord werd. De in Seraing geboren arbeiderszoon was veruit de populairste van de Belgische communistische leiders, een volbloed syndicalist in het Luikse industriebekken, waar de arbeiders hem ‘Noss Julien’ noemden. In 1932 ging hij als volksvertegenwoordiger voor de Kommunistische Partij van België (KPB) zetelen in de Kamer. Tijdens de oorlog maakte hij zich onsterfelijk als de stakingsleider van metaalarbeiders en mijnwerkers die van de Duitse bezetter loonsverhoging en betere rantsoenen afdwong. De actie betaalde hij met een verblijf in de concentratiekampen van Neuengamme en Mauthausen. Wanneer hij door de Amerikanen werd bevrijd en terug thuiskwam, was zijn prestige onaantastbaar.
Lahaut werd het symbool van de communistische partij. Meteen na de bevrijding schoot de populariteit van de partij als een pijl de hoogte in. Dat had ze te danken aan haar houding in het verzet, haar sociaal programma en de belangrijke rol van de communistische Sovjetstaat bij de bevrijding. De partij kreeg zelfs enkele ministerposten toegestopt bij de eerste voorlopige regering-Pierlot.
De Belgische communisten spiegelden zich aan de volksrepublieken die in Oost-Europa opgang maakten. Voor een koningshuis was in zulk modelland geen plaats. Ze toonden zich rabiate tegenstanders van de terugkeer van Leopold III, de koning die ze openlijk van collaboratie met de Duitse bezetter beschuldigden. Tijdens de koningskwestie die de naoorlogse politiek en de straat domineerde, stonden ze op de eerste rij van de antiroyalistische golf die door Wallonië trok. Nadat er in Grâce-Berleur verschillende doden vielen bij een manifestatie tegen de terugkeer van Leopold III, en België dicht bij een burgeroorlog kwam, stemde de koning in met een machtsoverdracht.
Wanneer Leopolds zoon, de nog minderjarige koninklijke prins Boudewijn op 11 augustus 1950 de eed aflegde, leek de rust te gaan weerkeren. Maar dat was buiten de communisten gerekend. Hun aversie van het koningshuis wilden ze met een afgesproken actie tonen. Terwijl de jonge prins in de Verenigde Kamers zijn hand opstak om de eed af te leggen, werd de nerveuze stilte doorbroken door de kreet ‘Vive la République’. De verontwaardiging was groot, de camera’s capteerden haarfijn de gebeurtenis en maakten er beeldgeschiedenis van. Julien Lahaut werd meteen gebrandmerkt als de baldadige roeper, terwijl de luidste kreet eigenlijk kwam van de communistische senator Henri Glineur.
Hadden de moordenaars dan het verkeerde slachtoffer uitgekozen? Nee, zo menen historici die zich jaren later vastbeten in de aanslag. Hoogstwaarschijnlijk was de moord geen vergelding. Al vonden de feiten nog zo dicht plaats na de verstoring van de eedaflegging, niet de koningskwestie, maar de Koude Oorlog was het kader van de moord.
Na de oorlog waren de voormalige bondgenoten, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten, op slag vijanden geworden. Opnieuw werd Europa verdeeld. De uitbraak van de Koreaanse Oorlog in juni 1950 bracht de spanningen tot een ongekend hoogtepunt. In West-Europa werd het communisme als de nieuwste bedreiging afgeschilderd, niet alleen als een buitenlandse, maar ook binnenlandse vijand.
Daarom moesten de moordenaars van Lahaut gezocht worden in de clandestiene anticommunistische netwerken die al tijdens de oorlog werden gevormd, maar steeds beter georganiseerd geraakten. Tot die bevinding kwam het federaal Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) in 2015 na een onderzoek naar de moord op vraag van de Senaat. Waar het gerecht destijds niet in slaagde, lukte historici wel.
In 1985 onthulde een eerste wetenschappelijk onderzoek de link tussen clandestiene groeperingen en mogelijke schuldigen. VLD-senator Vincent Van Quickenborne stootte in 2002 op de naam van François Goossens in het Luikse Rijksarchief. Vijf jaar later liet het magazine Keerpunt op televisiezender Canvas getuige Eugene Devillé aan het woord, die toegaf dat hij de dodelijke schoten had gelost. Ook het allesomvattende onderzoek van CegeSoma kwam tot de slotsom dat Goossens en Devillé de twee mannen waren die Lahaut in de deuropening van zijn huis in Seraing neerschoten. Beiden kwamen uit het Brabantse Halle, net als de twee handlangers die in de Rue de la Vecquée de wacht hielden.
De spilfiguur en ronselaar was François Goossens, verzekeringsagent, ex-verzetsstrijder en royalist. Goossens kreeg de opdracht vermoedelijk van het anticommunistische netwerk rond André Moyen. Dat netwerk had in de oorlog zijn sporen verdiend met contraspionage, infiltraties en afrekeningen met collaborateurs. Naar het einde van de oorlog verzette Moyen zijn bakens richting het communisme. Van de agitatie rond de koningskwestie maakte hij dankbaar gebruik. Tegelijk kon hij rekenen op verzetslui die het moeilijk hadden om de oorlog achter zich te laten en die wederom uit vaderlandsliefde de nieuwe vijand wilden bevechten. Wapens circuleerden nog volop, de moord op Lahaut vertoonde niet toevallig gelijkenissen met liquidaties tijdens de oorlog. Allicht verklaarde de verwevenheid van Moyens netwerk met de gerechtelijke politie het falen van het gerechtelijk onderzoek.
Toch besloten de onderzoekers dat de moord een vergeefse, zo niet nutteloze daad was. Ze belandde dan wel in het collectieve geheugen, maar had al bij al weinig impact op de loop van de geschiedenis.
