In de Brederodestraat, de korte straat achter het koninklijk paleis, ligt een voor Brussel onalledaags houten gebouw. Het is de Noorse chalet die koning Leopold II liet bouwen om vanuit zijn achtertuin een kolonie te besturen. De merkwaardige chalet heeft een plaats gekregen bij de 100 beslissende plekken in het boek 'Het verhaal van België'.
Wat doet een Noorse chalet achter het koninklijk paleis van Brussel?
De Brederodestraat is de korte straat achter het koninklijk paleis in Brussel. Op nummer 16 ligt de achteringang van het paleis, ook het officiële adres voor iedereen die een brief aan de koning wil schrijven. Een boogscheut verder, op nummer 10, staat een merkwaardig natuurstenen pand met een houten bovenbouw dat velen doet denken aan een alpenhut.
Architecturaal is het een absolute anomalie in de buurt, een curiosum met een opmerkelijk en jammer genoeg niet onschuldig verleden. Het gebouw wordt nog steeds de Noorse chalet genoemd, wat alles te maken had met het zwak van zijn vooraanstaande bouwheer voor het land Noorwegen. Koning Leopold II liet de chalet in 1906 bouwen door de Noor Finn Ivar Knudsen.
Scandinavië was immers meer dan een bevlieging geweest voor de ouder wordende monarch. In opdracht had de Noorse architect aan de Belgische kust in zijn typerende romantische stijl al een zomerresidentie en paardenstallingen mogen bouwen. Maar de chalet kreeg een minder lichtzinnige bestemming. Hij werd het Brusselse hoofdkantoor van Congo-Vrijstaat en kreeg een plek in de Brederodestraat, midden de koloniale wijk, tussen de respectabele hoofdzetels van allerlei koloniale maatschappijen.
Leopold moest enkel zijn achtertuin passeren om van hieruit een kolonie te besturen die 80 keer zo groot was als België. Alleen liep het allemaal niet zoals gewenst. Precies in het jaar van de opbouw kwamen zijn koloniale exploten zodanig in opspraak dat hij besliste zijn kolonie af te staan aan de staat België.
Congo-Vrijstaat
Congo-Vrijstaat was een feit sinds 1 juni 1885, met Leopold als soevereine vorst. Niet langer was hij alleen koning van België, maar nu ook alleenheerser in een land zo groot als het hele westen van Europa. Eindelijk kon zijn honger naar macht, prestige en fortuin gestild worden. Maar het werk, dat moest nog beginnen, want Congo diende veroverd en bezet te worden. Een staatsapparaat diende uitgebouwd te worden, vervoersinfrastructuur aangelegd en een economie op poten gezet, of minstens de traditionele handel opgeslorpt.
Om effectief greep te krijgen op het immense land werd de Force Publique of Openbare Weermacht opgericht, een heus koloniaal leger, tegelijk veroverings- en politiemacht. Gaandeweg bleek dat de uitbouw van een kolonie geen vakantieverzetje was. Leopold stuitte op een weerbarstig terrein met al even weerbarstige inwoners. Het kostte hem sloten geld en voortdurend hing het faillissement van zijn megalomaan plan boven zijn hoofd.
Onder druk voerde hij een eenzijdig exploitatiesysteem in waardoor zo goed als alle natuurlijke rijkdommen staatsbezit werden. Van de vrijhandel die in 1885 op de internationale Conferentie van Berlijn was vooropgezet, bleef weinig heel. Private ondernemingen kregen concessiegebieden, mochten ze uitbaten en de winsten delen met hun aandeelhouders. Ze kregen niet alleen een handelsmonopolie, maar ook administratieve rechten en zelfs het recht om de orde te bewaken en wapens en munitie te bezitten. ‘Zonder te overdrijven plunder- of roofmaatschappijen’, de woorden waarmee de Congolees-Belgische historicus Mathieu Zana Etambala ze beschrijft.
Rubber
Leopolds redding kwam er aan het einde van de eeuw in de vorm van een kleverig bomensap, rubber. De productie van auto- en fietsbanden had de vraag naar rubber doen exploderen. Eindelijk kon het Congolese evenaarswoud lucratief geëxploiteerd worden dankzij de enorme reserves wildrubber. De inlandse bevolking werd gedwongen ingeschakeld in de rubberproductie, om rubber te tappen in onmenselijke werkomstandigheden, diep in het oerwoud.
Concessieverantwoordelijken, ambtenaren en officieren werden zoveel mogelijk onder druk gezet om de productie te maximaliseren en quota op te leggen aan de Congolese arbeiders. Het was het begin van een meedogenloos systeem van uitbuiting, intimidatie en machtsmisbruik. Om elk verzet te breken hanteerden lokale verantwoordelijken een terreurregime waarvan mishandelingen, executies en razzia’s deel uitmaakten.
In de afgelegen gebieden konden ze ongestraft hun gang gaan. Congo stevende af op een totale ontwrichting. Ontbering en epidemieën droegen daarna bij tot een demografische catastrofe. Terwijl Leopold en een groeiend conglomeraat van koloniale bedrijven hun fortuin telden.
Protest tegen wantoestanden in Congo
Rond de eeuwwisseling broeide het protest tegen wat in Congo aan de gang was. De Britse scheepsagent Edmund Morel startte een internationale campagne tegen de wantoestanden nadat hij in de haven van Antwerpen een vracht rubber zag toekomen en wapens en munitie per kerende weer zag vertrekken.
Cruciaal was ook een onderzoeksrapport van de Britse consul Roger Casement vol getuigenissen over de wreedheden. Casement was wakker geschud door een gesprek dat hij ooit had gehad met de Belgische kapitein Willem Van Kerckhoven. Die vertelde hem doodkalm hoe hij zijn veelal inlandse manschappen vergoedde per afgehakt hoofd dat ze naar hem brachten.
Ook in België volgde een onderzoek, schoorvoetend toegestaan door Leopold. Zelfs nu werden, zij het voorzichtig, misbruiken bevestigd. De tegenstand groeide met voorop de progressieve liberaal Georges Lorand, de jezuïet Arthur Vermeersch, de financier Félicien Cattier en de socialistische patron Emile Vandervelde. Socialisten zagen het koloniale project van meet af aan als een uitwas van het kapitalisme. Bij katholieken en liberalen was de verdeeldheid groot.
Maar allemaal voelden ze zich steeds vaker in verlegenheid gebracht door de aanhoudende berichten over wandaden, en door de ongrondwettelijke macht die de koning zich had toegeëigend met zijn persoonlijk Afrikaans speeltje. Zelfs Albert Thys, koloniaal zakenman en ooit Leopolds vertrouweling, was de autocratische greep van de koning beu. Over de oplossing groeide consensus: de koning moest zijn kolonie afstaan, zodat de staat België alle verantwoordelijkheid kon overnemen.
Belgisch Congo
Op 15 november 1908 verwierf België Congo en mocht het zich een koloniale mogendheid noemen. In een Koloniaal Charter werd de nieuwe organisatie van het land vastgelegd en een breuk met het verleden gemaakt. Het imago moest opgepoetst worden, de voorwaarden voor een nieuwe economie en een wettelijk kader voor de politiemacht werden bepaald. Met de invoering van een medisch beleid werd voor het eerst geïnvesteerd in het welzijn van de Congolezen. In België werd het ministerie van Koloniën opgericht dat weldra enkele honderden ambtenaren tewerkstelde. De rubbermanie ging voorbij, maar werd vervangen door mijnbouw en de jacht op grondstoffen.
Hoewel verboden, deed winstbejag vormen van dwangarbeid in stand houden. Nerveuze kolonisatoren bleven repressiepraktijken toepassen, zo stellen de koloniale onderzoekers Amandine Lauro en Benoît Henriet, wegens ‘de evidente angst van de kolonisatoren voor een potentiële opstand’.
Bijna 2 jaar had Leopold zich verzet tegen de overname en de Belgische politiek aan het lijntje gehouden met allerlei tegenvoorwaarden. Hij was pas bezweken toen de mogendheden en vooral de Britten dreigden met ingrijpen. Leopold bleef verbitterd en chagrijnig achter. Zijn populariteit was onder nul gedaald, al was dat minder om het koloniale verhaal dan om zijn reputatie als amorele schuinsmarcheerder in de nationale en internationale pers.
Nog nauwelijks toonde hij zich in het publiek en meestal verbleef hij in Zuid-Frankrijk. De regering had de koning zelfs moeten aanporren om meer in België te zijn. Veel heeft Leopold zich niet getoond in zijn nochtans nieuwbakken Noorse chalet in de Brederodestraat. Na de overname van de kolonie kreeg het gebouw gelijk een herbestemming als administratief kantoor voor het zopas opgerichte ministerie van Koloniën.
De 5-puntige ster van Congo-Vrijstaat in de houten lambrisering bleef hangen, en hangt er nog steeds. De chalet is inmiddels ook weer volop zichtbaar. Lang werd de aanblik belemmerd door inmiddels afgebroken panden. Wanneer de chalet te klein werd voor de koloniale diensten, gaf hij een tijd onderdak aan het Museum van de Dynastie. In 1979 kocht de Koninklijke Schenking het gebouw en tegenwoordig wordt het verhuurd aan het Franse luxemerk Hermès.
Regionaal nieuws uit Brussel en Vlaams-Brabant


