De Mars op Brussel van 26 maart 1955 bracht een massa volk naar de hoofdstad om te betogen tegen de onderwijspolitiek. Dat de manifestatie een enorm succes was, wilde de toenmalige regering niet geweten hebben. Ze greep in met een stukje regelrechte censuur en belde daarvoor naar het Brusselse Flageygebouw, daar waar op dat ogenblik het radionieuws werd gemaakt door het NIR - de voorloper van de BRT (later de VRT). Zo werd het gebouw 1 van de 100 beslissende plekken in het boek 'Het verhaal van België'.
70 jaar geleden trokken tienduizenden betogers door Brussel, maar dat mocht het radionieuws niet vertellen aan de bevolking
26 maart 1955, de schoolstrijd die België al maandenlang in de ban houdt, bereikt een eerste hoogtepunt. Stormenderhand wordt Brussel ingenomen door tienduizenden betogers tegen de onderwijspolitiek van de regering-Van Acker. Wat een Mars op Brussel moet worden en rond 1 uur in de middag echt op gang moet komen, is nochtans verboden door de Brusselse burgemeester Joseph Vandemeulebroek. Ook de gouverneur van Brabant heeft een samenscholingsverbod afgeroepen.
Om 12.30u rinkelt de telefoon in de kantoren van het Nationaal Instituut voor de Radio-Omroep (NIR) in het Flageygebouw in Brussel. De kabinetschef van minister Edward Anseele Jr. spoort de samenstellers van het radionieuws aan om te melden dat de betoging een mislukking is. Minister Anseele is niet alleen de voogdijminister van het NIR, als minister van Verkeerswezen had hij ook al de NMBS geboden geen extra treinen in te zetten voor betogers en de verkoop van spoorkaartjes te beperken.
De woorden van de kabinetschef maken zoveel indruk dat het nieuwsbulletin van 1 uur wordt gecorrigeerd en een nieuwe tekst krijgt. "Uit inlichtingen die ons zopas bereiken, blijkt dat alle pogingen om toch te manifesteren volslagen mislukt zijn", zo oreert de nieuwslezer, zonder duidelijk te maken dat de bron de regering zelf is.
Het verslag van de feiten die zich enkele kilometers verder voltrekken, wordt op de valreep aangepast. Een fundamentele zin geraakt nooit in de ether: "Iets voor 1 uur reden twee pelotons bereden rijkswachters met gevelde sabel de Kruidtuinlaan op en dreven de massa betogers voor zich uit." De druk op de journalisten – in feite ambtenaren in dienst van het NIR – gaat de volgende uren door. Minister van Binnenlandse Zaken Piet Vermeylen laat na ruggespraak met eerste minister Achille Van Acker in een communiqué meedelen dat de oppositiepartij CVP "niet in staat is geweest een betoging te organiseren te Brussel".
Chaos in centrum Brussel
Intussen is de chaos in het centrum van Brussel groot. Ondanks het cordon dat rond Brussel is gelegd, met controles op invalswegen en het treinvervoer, loopt de hoofdstad ijlings vol. Waterkanonnen en charges van de rijkswacht kunnen de stroom betogers niet langer bedwingen. Waarover het radionieuws moet zwijgen, wordt werkelijkheid. De Mars op Brussel is een massaal succes.
Pas ’s avonds krijgen de journalisten van het NIR de kans het echte relaas te tonen. Sinds anderhalf jaar is het NIR ook met televisie-uitzendingen begonnen. In een omgebouwde radiostudio wordt in het Flageygebouw een nieuwsuitzending gemaakt die de beelden van de massa toont, ditmaal zonder ingrijpen van de regering.
Mogelijk nam de regering het nieuwe medium televisie amper serieus. Terwijl radio zijn gloriedagen beleefde waren televisietoestellen nog weinig verspreid. Jerome Verhaeghe, televisiepionier en die dag van dienst in het Flageygebouw, stelde later in het documentaire VRT-magazine 'Nieuwsmakers' dat het veel eenvoudiger was. De regering was in al haar nervositeit de televisieberichtgeving compleet vergeten.
Vermeylen kop van Jut
Minister Piet Vermeylen was vanwege zijn kordaat ingrijpen de volgende dagen kop van Jut bij de katholieke oppositiekranten. De spotnaam ‘Pietje de Leugenaar’ zou hem nog jaren blijven achtervolgen. In het Flageygebouw maakten de televisiejournalisten het weer goed met de regering.
In een volgende uitzending toonden ze een buitenmaats lange reportage over een officiële en staatsvriendelijke happening op het Brusselse Martelaarsplein. Op 10 juli trok een nieuwe betoging tegen de schoolplannen door Brussel, die volgens de organisatoren ditmaal zelfs 250.000 mensen naar de stad bracht. Niettemin keurde de Senaat enkele dagen later het gecontesteerde wetsontwerp goed, nadat de Kamer dat eerder al had gedaan.
Nog veel meer dan met Vermeylen was de schoolstrijd verbonden met de naam van de socialistische Waalse politicus Leo Collard. ‘Weg met Collard’, maar ook ‘Vive Collard’ waren de slogans van actieleuzen, spandoeken en graffiti. Als onderwijsminister in de regering-Van Acker was hij de man achter het wetsontwerp 217 waarmee de schoolstrijd begin 1955 voorgoed losbarstte.
Het ontwerp wijzigde de schoolwetgeving, bevorderde de uitbreiding van het rijksonderwijs en verstrengde de subsidiëring van het vrij onderwijs. Collard had op dat moment zijn naam al waargemaakt: 110 leraren en interimarissen die actief waren in het rijksonderwijs maar een diploma haalden in het vrij onderwijs, had hij ontslagen. In 1954 was de socialistisch-liberale regering van Achille Van Acker aan de macht gekomen.
Ze wilde na enkele homogene katholieke regeringen die de subsidies voor het vrij onderwijs verhoogd hadden, terug orde op zaken stellen en weer prioriteit geven aan het rijksonderwijs. Het verzet was onvoorzien groot. Het land kreeg zijn tweede schoolstrijd. Andermaal begon een gevecht om de ideologische greep op het onderwijs. Net als in de periode 1879-1884 kwamen katholieken in het verweer tegen regeringsplannen die volgens hen de onderwijsvrijheid bedreigden, maar ook hun controle en invloed op het onderwijs.
Ongeziene mobilisatie
De mobilisatie tegen de betwiste wet-Collard was ongezien. Aangestuurd door de Belgische bisschoppen en de nog unitaire partij CVP/PSC kon het protest terugvallen op een brede organisatiestructuur, de katholieke zuil met haar talrijke en landelijk verspreide organisaties. Het in 1954 opgerichte Nationaal Comité voor Vrijheid en Democratie was de stuwende kracht van de campagne.
Aan het hoofd van het comité stond Théo Lefèvre, gelijktijdig partijvoorzitter van de CVP/PSC. Lefèvre groeide uit tot het politiek symbool van de strijd. Tegelijk bewerkte het bisdom de gelovigen met dreigende herderlijke brieven en zondagspreken. De schoolkwestie sleepte nog aan tot aan de verkiezingen van 1958. De CVP/PSC behaalde een absolute meerderheid in de Senaat, maar niet in de Kamer.
Een minderheidskabinet onder leiding van CVP’er Gaston Eyskens slaagde erin een historisch onderwijsakkoord te bereiken tussen de 3 grote politieke families. Het schoolpact garandeert sindsdien het bestaan van 2 onderwijsnetten, zorgde voor de democratisering van het middelbaar onderwijs en maakte een einde aan een levensbeschouwelijk strijdpunt dat het land langdurig verscheurd had.
De ‘verboden’ Mars op Brussel van 26 maart 1955 had laten zien dat het protest breed gedragen was en niet zomaar zou wegkwijnen zonder beslissende impact. De politieke manipulatie van de berichtgeving van het NIR toonde dan weer het toenemende belang van de audiovisuele media.
Televisie zou zich in enkele jaren tijd naast de radio plaatsen. Door zijn bliksemsnelle groei werd ook het gebouw aan het Flageyplein te klein. Toen in 1960 het NIR werd opgeheven, besloten de opvolgers, de Belgische Radio en Televisie (BRT) en Radiodiffusion-télévision belge (RTB), meteen een nieuw complex te bouwen aan de Reyerslaan.
Het in 1938 voltooide modernistische Flageygebouw met zijn visionair ontwerp is tot vandaag een cultuurhuis gebleven en een van de architectuurklassiekers van Brussel.
Regionaal nieuws uit Brussel en Vlaams-Brabant




