In 2023 zijn in de Europese Unie 3,67 miljoen baby's geboren, dat zijn er 5,4 procent minder dan een jaar eerder. Het gaat om de grootste daling op jaarbasis sinds 1961. Europese vrouwen krijgen ook steeds later kinderen. Dat blijkt uit cijfers van Eurostat, het Europese statistiekbureau.
3,67 miljoen baby's geboren in EU in 2023, grootste daling op jaarbasis sinds 1961
In 2023, het laatste jaar waarvan Europese cijfers bekend zijn, zette een vrouw in de EU gemiddeld 1,38 kinderen op de wereld. In 2022 lag dat gemiddelde nog op 1,46 kinderen per vrouw.
Belgische vrouwen scoren iets hoger dan het gemiddelde. In 2023 lag het gemiddelde in ons land op 1,46 kinderen per vrouw. Toch is het geboortecijfer ook in België dalende, bleek vorige maand al uit cijfers van het federale statistiekbureau Statbel. Vorig jaar zijn in België 108.680 baby's geboren. Dat zijn er 5.200 minder dan gemiddeld in de periode 2020-2023.
De Europese koploper is Bulgarije, met gemiddeld 1,81 kinderen. Vrouwen in Malta zetten het minste kinderen op de wereld, met een gemiddelde van 1,06.
Geen corona-babyboom
Dat lage geboortecijfer heeft uiteraard gevolgen voor de demografie. Gemiddeld is een cijfer van 2,1 kinderen per vrouw nodig om ervoor te zorgen dat de bevolking zichzelf op den duur kan vervangen. Als dat cijfer onder 1,3 zakt, spreekt men officieel over "een zeer laag vruchtbaarheidscijfer".
Opvallend: hoewel veel mensen dachten dat de coronacrisis tot een echte babyboom heeft geleid, blijkt dat niet meteen uit de cijfers. In de jaren 2020 en 2021 zetten vrouwen gemiddeld 1,51 en 1,53 kinderen ter wereld. Dat is nog steeds minder dan het gemiddelde van 1,57 kinderen dat in 2008 en 2010 werd opgetekend.
Kinderen op latere leeftijd
Europese vrouwen krijgen gemiddeld ook op steeds latere leeftijd een eerste kind. Waar een vrouw in 2013 gemiddeld nog 28,8 jaar oud was bij haar eerste bevalling, is dat intussen 29,8 jaar.
"Ook in ons land is die trend van uitstel eigenlijk al 50 jaar bezig, sinds 1970", zegt Karel Neels, professor sociale statistiek en demografie aan de Universiteit Antwerpen. "Maar wat we nu vaststellen, is dat er vaker wordt uitgesteld tot de leeftijd van 30 en zelfs 35 jaar."
Die tendens heeft mogelijk ook te maken met het feit dat de vruchtbaarheidscijfers van vrouwen boven de 30 aanzienlijk zijn verbeterd de voorbije jaren. "Een andere belangrijke reden van uitstel is dat de groep jongeren die instroomt in het hoger onderwijs alsmaar groter wordt, en dat de onderwijstrajecten steeds langer duren. Studeren is natuurlijk moeilijk te combineren met de start van een gezin."
"Na het schoolverlaten gaan die mensen dan de arbeidsmarkt op en duurt het meestal nog een hele tijd voordat ze een stabiele baan en een stabiel inkomen hebben."

