Naar hoofdinhoud
Ook wat je tussen je boterham legt, heeft vele namen.

Toespijs, bijval of zaanspijs: zo noemen we broodbeleg in Vlaanderen

In Brugge eet je toespieze tussen je boterham, in Aalst boival en in Sint-Niklaas ‘snijvlees’. Allemaal synoniemen voor broodbeleg. “Het woord kent heel veel varianten. Ook wat je tussen je boterham legt, heeft vele namen. Niet iedereen zegt ‘confituur’, dat kan ook jam zijn of lochtinkvlees”, zegt dialectoloog Chris De Wulf (UA).

Anneke Hermans
Gepubliceerd:

Elke woensdag gaat Peter Van de Veire in 'Goeiemorgen morgen!' (radio2) samen met dialectoloog Chris De Wulf (UA) op zoek naar de eigenheid van onze taal. Meer weten? Vorige keer vertelde hij over waarom de namen Johnny en Marina een negatieve bijklank hebben.

Als actrice Maaike Cafmeyer 's morgens haar stuutje belegt, is dat met toespieze. Toespijs dus. In West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en zelfs tot in Antwerpen is dat het meest gebruikte woord voor broodbeleg. Het stamt al uit de tijd van het Middelnederlands.

Toen was toespijs geen synoniem voor broodbeleg. Toespijs was alles wat je naast je hoofdgerecht at. Dat ging van een bijgerecht tot een toetje. Omdat brood toen een groot deel van de hoofdmaaltijd was, werd toespijs vanaf 1900 ook gebruikt om broodbeleg te omschrijven. 

Bijval betekent letterlijk iets wat erbij komt. Een extraatje dus. Het is een veelgebruikt synoniem voor broodbeleg in de Oost-Vlaamse Denderstreek, maar ook in sommige delen van de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant zeggen ze bijval of boival.

LUISTER

Liever luisteren dan lezen? Beluister het gesprek met dialectoloog Chris De Wulf in Goeiemorgen morgen!

Radio 2goeiemorgen morgen!
4min

In het Hageland spreken ze dan weer van zaanspijs. Dat komt van het Middelnederlandse zaan. We kennen dat nu nog in het Duitse ‘Sahne’, het woord voor room. Oorspronkelijk was het dus beleg gemaakt van room. 

De streek rond Sint-Niklaas kent nog een ander woord: snijvlees. Dat woord gebruiken ze voor alles wat je tussen je boterham legt. Kaas is dus ook snijvlees. Het woord kan je zien als een vertaling van charcuterie. Dat woord is van oorsprong een samenvoeging van 2 Latijnse woorden die afstammen van snijden en vlees. 

Ook soorten broodbeleg krijgen in het dialect een andere naam. Denk maar aan hagelslag. Dat ken je misschien ook als muizenkeutels of muizenstrontjes.

Muizenstrontjes is ouder dan hagelslag. Dat laatste wordt pas gebruikt in advertenties in de 20e eeuw. Muizenstrontjes kennen we al vanaf de 18e eeuw als lekkernij die bij geboortes wordt uitgedeeld. 

Confituur, jam of gelei zijn allemaal woorden die verwijzen naar de manier waarop het gemaakt wordt

Chris De Wulf, dialectoloog (UA)

Confituur is nog zo’n woord met veel varianten in het dialect. Denk maar aan jam of gelei. De woorden verwijzen allemaal naar de manier waarop het gemaakt wordt. Confituur verwijst naar gekonfijt fruit. Gelei komt van gelée, het Franse woord voor bevroren. Een verwijzing naar de textuur. Jam komt van het Engelse to jam, het samenprakken van dat fruit.

In Izegem is een boterham met confituur er eentje met lochtinkvlees. De letterlijke vertaling is moestuinvlees. De vruchten voor confituur haalden ze vroeger gewoon uit de eigen lochting of serre. 

In Oosterzele doen ze iets gelijkaardigs. Daar spreken ze van bogardespe of boomgaardham. Charcuterie uit je boomgaard of tuin dus.

Meest gelezen

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5

Wat schuilt er achter Go Church? En hoe komt het dat vooral kwetsbare minderjarigen hier slachtoffer van worden? VRT NWS Pano trok op onderzoek.

Lees ook

  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"