Rik Verheye doet het als Willy Persyn in de Play 4-serie ‘Nonkels’, maar ook in het dagelijks leven: de woorden ‘ja’ en ‘nee’ vervoegen, alsof het werkwoorden zijn. Hij heeft er ook zijn kersverse titel als ambassadeur van West-Vlaanderen aan te danken. Maar waarom doen West-Vlamingen dat? “Het is een vorm van efficiëntie”, zegt dialectoloog Chris De Wulf (UA).
Waarom West-Vlamingen de woorden 'ja' en 'nee' vervoegen
Elke woensdag gaat Peter Van de Veire in 'Goeiemorgen morgen!' (Radio2) samen met dialectoloog Chris De Wulf (UA) op zoek naar de eigenheid van onze taal. Meer weten? Vorige week hebben ze de “taalbarrière” tussen Pommelien Thijs en Meau besproken.
Vraag je Rik Verheye of hij een ‘zjatte kaffie’ wil, dan zal hij wellicht “Joak!” antwoorden. Vraag je of alles goed gaat in de liefde, dan zal hij – wellicht - “Joat!” antwoorden. Wil je weten of het derde seizoen van ‘Nonkels’ al volledig ingeblikt is, dan krijg je mogelijk als antwoord “nint”.
Het is een vorm van efficiëntie. Eigenlijk wil Rik daarmee “Ja, ik wil dat”, “ja, dat is zo” – of net niet – zeggen. Alleen hebben West-Vlamingen die zin verkort tot ‘joak’. Ze geven hier mee een uitgebreid, volledig en tegelijkertijd ook heel kort antwoord.
Het is geen uitvinding van de West-Vlamingen. Het gebruik bestond al in het Middelnederlands, en ook in het Oudnederlands vind je er sporen van terug. Je kan dus wel stellen dat die vreemde ‘verbuigingen’ tot duizend jaar oud zijn.
Ook in het Engels vind je er echo’s van terug. Al hebben we het idee niet van de Engelsen gekregen. De verbuigingen die West-Vlamingen doen, gaan verder dan die van de Engelsen: ‘joak’, ‘joaj’, ‘joas’,… in het West-Vlaams zijn alle persoonsvormen vertegenwoordigd. Er is wel een verschil met de vervoegingen van het werkwoord: in de uitgangen bij ‘joak’ en zo kun je nog resten van ‘ik’, ‘gij’, ‘zij’, … herkennen.
Het stopt trouwens niet aan de grenzen van West-Vlaanderen. Ook in andere provincies zie je de verbuigingen van ‘ja’ en ‘nee’ terugkomen. In Oost-Vlaanderen bijvoorbeeld, en in het Vlaams-Brabantse Pajottenland. Al leunt die streek qua taal dicht tegen het Oost-Vlaams aan.
Logisch, want dialecten kennen geen grenzen. Ze gaan er losjes overheen en nemen dan zachtjes andere vormen aan.
