Iets minder dan de helft van de Belgen neemt nooit trein, metro, tram of bus. Dat blijkt uit een enquête in opdracht van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit. De meesten van ons verplaatsen zich ten minste 3 dagen per week. Meer dan 8 op de 10 gebruikt daarbij wekelijks geregeld de wagen, maar 1 op de 10 gebruikt ook geregeld het openbaar vervoer.
87 procent van de Belgen verplaatst zich ten minste 3 keer per week. Opvallend is dat maar liefst 47 procent daarbij nooit gebruik maakt van de trein. Voor metro, tram of bus is dat cijfer iets minder slecht: 44 procent geeft aan daarvan nooit gebruik te maken.
34 procent van de ondervraagden geeft aan enkele dagen per jaar met de trein te reizen. 28 procent maakt enkele dagen per jaar gebruik van metro, tram of bus.
Amper 1 procent van de ondervraagden reist 6 à 7 dagen per week met de trein. Voor metro, tram of bus is dat 3 procent.
Meer dan een op de vijf Belgen ondervindt kleine of grote problemen bij het gebruik van het openbaar vervoer. Dat cijfer kan oplopen tot 74 procent voor mensen die (tijdelijk) hulp nodig hebben om zich te verplaatsen door een rolstoel of krukken. Meer vrouwen dan mannen geven aan het moeilijk te vinden om met kinderen, boodschappen of koffers te reizen.
Obstakels bij het openbaar vervoer die het vaakst door alle respondenten worden aangehaald, zijn de aankondigingen die via de microfoon worden omgeroepen (23 procent) en de treden om in of uit een vervoermiddel te stappen (21 procent).
De online-enquête is tussen 17 juli en 1 augustus uitgevoerd door het bedrijf iVOX, in opdracht van de FOD Mobiliteit. 2.000 Belgen die representatief zijn voor de hele bevolking zijn bevraagd.
Het doel van de enquête was nagaan welke moeilijkheden mensen ondervinden bij hun verplaatsingen met het openbaar vervoer.

