Snijsporen op vogelbotjes uit de grot Scladina, in de buurt van Namen, geven aan dat neanderthalers er verschillende vogelsoorten aten en van sommige botjes gebruiksvoorwerpen maakten. Dat blijkt uit onderzoek van het Instituut voor Natuurwetenschappen en de universiteit van Luik. Scladina is nog maar de tweede vindplaats die aantoont dat neanderthalers werktuigen maakten van het bot van een vogel.
Neanderthalers uit onze streken aten vogels en maakten werktuigen van de botjes
Neanderthalers die in de buurt van de grot Scladina leefden, blijken verschillende vogelsoorten op het menu te hebben gehad. "Ze hielden vooral van hoenders, omdat er veel vlees aan hangt", zegt archeozoöloog Quentin Goffette van het Instituut voor Natuurwetenschappen. Maar ze aten ook aalscholvers, blijkt uit het onderzoek.
"Kleine en beweeglijke dieren vang je niet op 1-2-3. Daarom dacht men vroeger dat neanderthalers alleen op grotere dieren joegen, en dat het pas de moderne mens was die vogels en kleinere dieren begon te vangen", zegt Goffette. "Maar onze studie bevestigt voorgaand onderzoek dat de jachttechnieken van neanderthalers al verfijnd genoeg waren om kleine prooien te vangen."
De grot Scladina
Scladina is vooral bekend van het 'kind van Sclayn', een 8-jarig neanderthalermeisje, waarvan de onderkaak, een stuk bovenkaak en tanden zijn opgegraven tussen 1990 en 2006. De grot werd in 1971 ontdekt in het dorpje Sclayn, een deelgemeente van Andenne, nabij de Maas.
Sinds de jaren 80 worden er voortdurend archeologische vondsten opgegraven. De site leverde onder meer resten op van holenberen, wolven, grottenhyena’s, en ook vogels. Zo krijgen we een beeld van de leefomgeving van neanderthalers in zuidelijk België meer dan 80.000 jaar geleden.
Onderzoekers van het Instituut voor Natuurwetenschappen namen samen met collega’s van het onderzoekscentrum TraceoLab (Universiteit Luik) en het archeologisch centrum van de Scladinagrot 119 vogelresten onder de loep. Ze vergeleken de botjes met referentiecollecties om de soorten te achterhalen, en gingen bij elk exemplaar tot op microniveau na of er sporen van bewerking waren, zoals snijsporen.
"De omgeving was een mozaïek van habitats en de neanderthalers moeten een goeie kennis hebben gehad van wat er in die verschillende habitats aan prooi te vinden was", zegt Goffette.
Werktuigen van 130.000 jaar oud
Veel van de botten waren door vlees- of aaseters in de grot gebracht. Maar op 7 (mogelijk 8) van de exemplaren waren snijsporen door neanderthalers te zien. En bij een ging het verder dan het vlees wegsnijden.
"Het spaakbeentje van een auerhoen vertoont 2 diepe insnijdingen, wat op botbewerking wijst, en een gepolijst uiteinde", klinkt het in het persbericht van het Instituut voor Natuurwetenschappen. "Onderzoek door TraceoLab heeft aangetoond dat dit object is gebruikt en dat de polijsting waarschijnlijk het resultaat is van wrijving met zacht organisch materiaal."
We hebben nu voor het eerst bewijs dat neanderthalers in België vogels aten
Quentin Goffette, archeozoöloog Instituut voor Natuurwetenschappen
Het zeldzame gebruiksvoorwerp uit de Scladina-grot dateert van zo’n 130.000 jaar geleden, tijdens de voorlaatste ijstijd, toen de Scandinavische ijskap tot in het midden van Nederland reikte.
"De Scladina-grot is een internationaal belangrijke archeologische vindplaats door de ontdekking van het neanderthalerkind en omdat de grotingang meer dan 120 sedimentlagen bevat die samen meer dan 100.000 jaar beslaan. Cruciaal voor de studie van vroegere leefomgevingen in Noordwest-Europa", zegt Goffette.
"'En nu hebben we ook nog het eerste bewijs dat neanderthalers in België vogels aten, en nog maar het 2e bevestigde geval van een gebruiksvoorwerp van vogelbot vervaardigd door onze verre neven." De studie is gepubliceerd in het wetenschappelijk vakblad Frontiers in Environmental Archaeology .

