De meeste Belgische gemeenten scoren ruim onvoldoende op de 3-30-300-regel. Die norm vat hoeveel toegang bewoners hebben tot bomen en ander groen. Hoe armer, hoe grijzer de straten kleuren. Genk geeft dan weer het goede voorbeeld. Gemeenten die snel vooruitgang willen maken, moeten vooral inzetten op grote bomen, zegt professor Cecil Konijnendijk.
Slechts 18 Belgische gemeenten voldoen aan 3-30-300-regel voor stadsnatuur: bekijk hier hoe jouw gemeente het doet
"Elke woning heeft nood aan 3 zichtbare bomen, 30 procent klimaatgroen in haar omgeving en toegankelijk groen op 300 meter." Zo staat het toch in een nieuwe groennorm die de Vlaamse overheid sinds vorig jaar hanteert, in het kort de 3-30-300-regel. Zo'n groennorm is geen vaststaande regel of wet, maar geeft de richting aan voor overheden die willen vergroenen.
Daar zijn goede redenen voor. Uit verschillende studies blijkt dat bomen, zeker in dichtbebouwde gemeenten en steden, gezondheidsvoordelen kunnen opleveren. Hoe meer bomen in het straatbeeld, hoe beter de bewoners gewapend zijn tegen hart- en vaatziekten, mentale problemen en stress. In 2022 stelde de KU Leuven nog vast dat er in Brusselse wijken met veel grote bomen minder medicatie verkocht wordt.
Bovendien vormen bomen een klimaatbuffer. Tijdens hittegolven drukken ze de temperatuur in de stad met hun kruinen en door water te verdampen. Zo gaan ze het zogenaamde hitte-eilandeffect tegen. Het verschil kan oplopen tot wel 6 graden Celsius.
Verre droom
Maar voor de meeste Belgische gemeenten is de 3-30-300-regel nog een verre droom. Dat blijkt uit een analyse van Datalab, een onafhankelijk team van datawetenschappers. Ze combineerden daarvoor openbaar beschikbare gegevens over onder andere bebouwing en de aanwezigheid van bomen. De milieuorganisatie Greenpeace bracht de resultaten naar buiten .
Wat betekent 3-30-300? De Nederlandse professor Cecil Konijnendijk bedacht de regel om uit te drukken hoe groen een stad is. Volgens hem zou iedereen vanuit zijn/haar huis uitzicht moeten hebben op 3 bomen, boomkruinen zouden 30 procent van de wijk moeten bedekken en iedereen zou op 300 meter van een publieke groene ruimte van minimaal 1 hectare moeten wonen.
De regel is geen harde wetenschappelijke wet, maar een vuistregel die deels gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek. De kracht zit volgens Konijnendijk in de eenvoud van de regel. Naast Vlaanderen hebben wereldwijd ook verschillende stadsbesturen delen van de regel ingeschreven in hun beleid, waaronder die van Barcelona (Spanje), Vancouver (Canada) en Canberra (Australië).
Het resultaat is een score voor alle Belgische gemeenten. Die geeft weer hoeveel woningen er in die gemeente voldoen aan alle parameters.
En wat blijkt: slechts 18 van de Belgische gemeenten halen een voldoende. Daar kan minstens de helft van alle huizen alle 3 de parameters afvinken.
Maar de onderzoekers hebben de lat hoog gelegd. Neem het groene Kontich: daar voldoen zo goed als alle woningen aan de 3- en de 300-parameters, maar voldoet slechts 4,2 procent van de woningen aan de voorwaarde dat 30 procent van de oppervlakte bedekt moet zijn door boomkruinen. Kontich haalt daardoor toch slechts een eindscore van 4,2 procent, terwijl het wel erg veel bomen telt.
Nog een puntje van nuance: het beboste Wallonië kleurt grotendeels rood. Dat komt doordat de 3-30-300-regel groen in de directe nabijheid van woningen meet, zeg maar in de straten of de parken vlakbij. Natuur in de gordel rond een oud, dichtbebouwd stadje wordt dus niet beloond in de score, terwijl die wel degelijk een invloed kan hebben op de fysieke en mentale gezondheid van de bewoners. Hoe landelijker, hoe meer je de score dus met een korreltje zout kan nemen.
De regel heeft vooral waarde voor dichtbevolkte gemeenten en steden, zeggen ook de onderzoekers zelf. Daar is de nood het hoogst, en valt er snel veel gezondheidswinst te maken met een paar meer (grote) bomen.
Genk is de grote uitschieter
Maar veel van die dichtbevolkte gemeenten scoren bijzonder zwak. In 16 van de 20 dichtst bevolkte gemeenten in ons land haalt nog niet 1 op de 10 gebouwen de lat. Het gaat dan om steden zoals Brugge, Aalst, Antwerpen, Hasselt, Moeskroen en Luik, maar ook Gent dat de voorbije jaren nochtans inzette op vergroening.
Vooral de 30 procent boomkruinbedekking blijkt zeer moeilijk te halen. Maar een stad als Antwerpen scoort bijvoorbeeld ook slecht op toegankelijk openbaar groen. Opmerkelijk, want de wetenschappers toonden zich erg genereus op dat vlak. Ze telden over heel België al parkjes van 0,2 hectare mee als openbaar groen, terwijl de regel eigenlijk 1 hectare voorschrijft. Het beeld dat de cijfers schetsen, is dus nog iets positiever dan de realiteit.
Limburg toont dan weer dat het wel degelijk kan. In de stad Genk voldoet bijvoorbeeld 52,6 procent van de gebouwen aan alle 3 de voorwaarden. De inwoners wonen er bijna allemaal op 300 meter van publieke groene ruimte en hebben bijna allemaal zicht op 3 bomen. Zelfs meer dan de helft van alle woningen voldoet er aan de voorwaarde van 30 procent boomkruinbedekking.
"Waar Genk inderdaad heel sterk in scoort, is het aandeel boomkronen", zegt Ruth-Marie Henckes van Greenpeace. "Dat komt doordat Genk een aantal natuurgebieden en parken heeft. Daarnaast staan er in Genk ook heel veel bomen in de straten."
Al mogen ze ook in Genk niet te vroeg juichen, want ook in de best scorende stad is nog werk aan de winkel. "We zitten nu aan iets meer dan de helft, maar er zijn nog een paar wijken die helemaal uit de boot vallen. Met heel simpele ingrepen zoals bomen planten, zouden ze daar de situatie nog beter kunnen maken. Er wordt ook nog altijd veel bos gekapt in Genk, maar het beste wat steden en gemeenten kunnen doen, is bossen bewaren", zegt Henckes.
Minder gegoede buurten vol beton
Nog tekenend: hoe rijker een gemeente, hoe meer huizen er uitzicht hebben op groen. In de Voorkempen doen gemeenten zoals Brasschaat, Schilde en Schoten het uitstekend. Ook de Groene Vallei in Vlaams-Brabant, Watermaal-Bosvoorde en de streek rond Namen scoren goed.
Het omgekeerde geldt helaas ook. Hoe armer, hoe grijzer de straten kleuren. Brusselse gemeenten zoals Sint-Joost-ten-Node en Sint-Jans-Molenbeek doen het bijvoorbeeld erg slecht, met respectievelijk 0 en 0,6 procent van alle woningen die voldoet aan alle parameters.
Arme buurten zullen heter zijn tijdens hittegolven, en diezelfde mensen moeten zich verder verplaatsen om verkoeling te vinden
Greenpeace
In grotere steden zoals Charleroi, Luik, Antwerpen of Brussel zie je zelfs binnen de stadsgrenzen dat verschil. Vorst is een mooi voorbeeld. In de wijk Luttrebrug voldoet bijna geen enkele woning aan de voorwaarden voor boomkruinbedekking en openbaar groen, in de wijk Haveskerke bijna allemaal.
"De rijken worden gezonder in hun groene woonomgeving, terwijl mensen in de minder gegoede buurten uitkijken op beton", besluit Greenpeace, dat het onderzoek mee naar buiten brengt. "Arme buurten zullen heter zijn tijdens hittegolven, en diezelfde mensen moeten zich verder verplaatsen om verkoeling te vinden. Deze onrechtvaardigheid moet prioritair aangepakt worden."
Pocketparkjes en adoptiebomen
Cecil Konijnendijk, de bedenker van de 3-30-300-regel, was zelf niet betrokken bij deze analyse, maar kon ze wel doornemen. "Goed gedaan", luidt zijn oordeel. "Goed dat bomen op de kaart worden gezet, met de gemeenteraadsverkiezingen die eraan komen."
Wat kunnen de gemeenten die minder goed scoorden doen? Konijnendijk wijst erop dat vooral de 30 procent boomkruinbedekking vaak onhaalbaar blijkt voor de Belgische steden en gemeenten. Dat trekt hun totaalscore sterk naar beneden.
Toch ziet hij daar ook mogelijkheden. Van de 3 verschillende parameters "zien we daar de sterkste overeenkomst met mentale én fysieke gezondheid". "Al een paar procent extra, zelfs maar van 10 naar 12 procent, kan een groot verschil maken."
Vooral oude, grote bomen kunnen het gat snel dichtrijden. Met hun uitgebreide bladerdak leveren ze vaak meer gezondheids- en klimaatwinst op dan vele jonge boompjes. "Begin met de binnenstad, in de wijken waar kwetsbare groepen wonen. Daar kan je inzetten op pocketparkjes met grote, zichtbare bomen. Elders kan je bekijken welke oude industriële sites in aanmerking komen."
Soms is er in een stad niet veel plaats voor nieuwe bomen en hun wortels, "doordat het onder de grond een rommeltje is van kabels en leidingen. Daar kan je, zoals in Amsterdam, leidingen bundelen om plaats te maken." Nu veel straten heraangelegd worden in het kader van de energie- en mobiliteitstransitie, ziet Konijnendijk kansen.
Dat vergt natuurlijk allemaal wel heel wat planning. Kortrijk doet dat bijvoorbeeld, met het eerste Urban Forestry Masterplan (of masterplan voor stadsgroen), maar dat zal pas op termijn resultaat opleveren.
En wat als mensen niet willen wachten op het stadsbestuur voor meer groen, en zelf iets willen doen? "Stop met privébomen te kappen", raadt Konijnendijk aan. "Mensen verwijderen die vaak uit hun eigen tuin omwille van, bijvoorbeeld, overlast. Maar juist daar kunnen we de trend keren."
Greenpeace lanceert dan weer 10 aanbevelingen voor meer stadsnatuur. Het vraagt onder andere om meer aandacht voor kleine en grote stadsparken, dat "gedateerde" projecten rond bedreigde stadsnatuur worden losgelaten en dat er rond bomen heen gebouwd zou worden, in plaats van ze te kappen en te vervangen door een nieuw boompje.
Regionaal nieuws uit Antwerpen



