Naar hoofdinhoud

Opwinding na archeologische opgravingen in Notre-Dame van Parijs: is het graf van renaissance-dichter Joachim du Bellay ontdekt?

Bij archeologische opgravingen in de Notre-Damekathedraal van Parijs is mogelijk het graf gevonden van de Franse renaissance-dichter Joachim du Bellay. Dat heeft het archeologische instituut Inrap deze week bekendgemaakt. Toch willen andere experten liever niet te vroeg juichen.

Stefan Grommen
Gepubliceerd:

Om de befaamde vieringtoren van de Notre-Dame, die vernield werd bij de grote brand in 2019, te kunnen heropbouwen, moest een gigantische, 700 ton zware stelling gebouwd worden. En dat pal in het midden van de kathedraal. Daarop besloot de Franse overheid in 2022 op die plek toch eerst archeologische opgravingen te doen. 

Niet geheel verrassend werden er 8 graven ontdekt: tussen de 14e en 18e eeuw gebeurde het wel vaker dat mensen in de kerk zelf werden begraven. Maar 2 graven fascineerden de archeologen in het bijzonder: het waren loden sarcofagen, die mogelijk impliceerden dat het ging om belangrijke(re) figuren.

De identificatie verliep verrassend vlot bij de eerste sarcofaag: op diezelfde plek vonden archeologen een grafschrift dat erop wees dat het ging om Antoine de la Porte, overleden in 1710. Hij was lang kanunnik in de Notre-Dame, die rijk genoeg was om verbouwingen en schilderijen in de kathedraal te financieren.

Fysieke ongemakken

Over de tweede kist heerste meer twijfel. De resten die die bevatte, wezen op een vrij jonge man, die leed aan bottuberculose en chronische meningitis. Vervormingen van zijn skelet wezen erop dat de man zijn leven lang een ruiter was geweest.

De archeologen kwamen daardoor bij de naam van Joachim du Bellay uit, een beroemde Franse renaissance-dichter, lid van de 16e eeuwse dichtersgroep de Pléiade, die streed voor het behoud van de Franse taal. Du Bellay stierf in 1560 in Parijs, op (naar schatting) 37-jarige leeftijd. 

De fysieke ongemakken die de man uit het graf gehad moet hebben, kwamen in elk geval exact overeen met die die bekend zijn over Du Bellay. En zelfs ondanks al die gezondheidsproblemen was over hem geweten dat hij een ervaren ruiter was.

Daar komt nog eens bovenop dat de dichter in theorie in de kapel van Saint-Crépin in de kathedraal had moeten begraven zijn, maar dat zijn resten bij opgravingen in de 18e eeuw niet op die plaats bleken te liggen. Archeologen suggereren dat een mogelijk tijdelijk graf in de kruisbeuk van de kathedraal uiteindelijk permanent is geworden of dat zijn kist, na de publicatie van zijn oeuvre in 1569, net bewust verplaatst is naar een meer centrale plek.

Twijfels

Alleen: in Frankrijk volgt niet iedereen de schijnbare stelligheid waarmee de onderzoekers van Inrap de aankondiging deze week deden. Zo wijst chemisch onderzoek van de skeletresten uit dat de overleden persoon wellicht tot zijn 10 jaar in de regio van Parijs of de regio Rhône-Alpes heeft geleefd. Maar Du Bellay is geboren in Anjou, in de Loirestreek, die westelijker ligt.

Ook moet extra onderzoek nog de exacte leeftijd van de overleden man achterhalen. Ook die onthulling kan dus nog roet in het eten gooien. DNA-onderzoek wordt wel een moeilijke kwestie, gezien het gebrek aan genetisch materiaal om het mee te vergelijken. 

'Heureux qui comme Ulysse'

Een bekend gedicht van Joachim du Bellay is het sonnet 'Heureux qui comme Ulysse', dat hij ergens tussen 1553 en 1557 schreef in Rome. Uit de tekst spreekt vooral heimwee naar zijn geboortestreek.

Het gedicht leeft voort in onze moderne cultuur. Henri Colpi maakte in 1970 een film met een gelijknamige titel. De Franse zanger Georges Brassens maakte er de titeltrack voor en hergebruikte in de tekst het eerste vers van Du Belay's sonnet. In 2007 paste de Franse zanger Ridan de tekst van het sonnet aan voor zijn nummer 'L'Ange de mon démon'.

Dit is het volledige gedicht:

Heureux qui, comme Ulysse, a fait un beau voyage, Ou comme celui-là qui conquit la toison, Et puis est retourné, plein d’usage et raison, Vivre entre ses parents le reste de son âge !

Quand reverrai-je, hélas, de mon petit village Fumer la cheminée, et en quelle saison Reverrai-je le clos de ma pauvre maison, Qui m’est une province, et beaucoup d’avantage ?

Plus me plaît le séjour qu’ont bâti mes aïeux, Que des palais Romains le front audacieux ; Plus que le marbre dur me plaît l’ardoise fine,

Plus mon Loire gaulois, que le Tibre latin, Plus mon petit Liré, que le mont Palatin, Et plus que l’air marin la douceur angevine.

Meest gelezen

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5

Wat schuilt er achter Go Church? En hoe komt het dat vooral kwetsbare minderjarigen hier slachtoffer van worden? VRT NWS Pano trok op onderzoek.

Lees ook

  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"