Moordaanslagen op presidenten of presidentskandidaten zijn geen uitzondering in de Verenigde Staten. 4 voormalige presidenten hebben de aanslag op hun leven niet overleefd, verschillende andere - onder wie nu Donald Trump - kwamen er met (soms levenslange) verwondingen en de schrik vanaf. Een historisch overzicht.
Hoe (moord)aanslagen op presidenten al meer dan 150 jaar politieke realiteit zijn in VS
Politiek geweld en zelfs moordaanslagen op presidenten of presidentskandidaten zoals die op Donald Trump: zijn niet nieuw in de VS. Doorheen de geschiedenis van het land zijn verschillende politici aangevallen door politieke tegenstanders en radicale individuen. Het gaat daarbij over presidenten en presidentskandidaten, maar ook over senatoren, afgevaardigden en gouverneurs.
De aanslagen uit het verleden zijn een reden waarom elke president levenslang bescherming van de Secret Service geniet. Toch overleefden 4 onder hen een aanslag op hun leven niet.
14 april 1865 - Abraham Lincoln
Abraham Lincoln was de eerste Amerikaanse president die stierf na een moordaanslag. Enkele dagen ervoor had generaal Robert E. Lee de overgave van de Geconfedereerde staten ondertekend, wat het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog betekende. Dat kwam hard aan voor John Wilkes Booth, een acteur met een diepe sympathie voor de zuidelijke staten.
De aanslag vond plaats op 14 april 1865 in het Ford's Theatre in Washington D.C., waar Lincoln op dat moment met zijn vrouw genoot van de komedie "Our American Cousin". Booth drong het privévertrek van de president binnen en schoot hem door het hoofd. Hij sprong naar beneden het podium op, schreeuwde volgens getuigen "Sic semper tyrannis" ("zo vergaat het tirannen altijd") en vluchtte weg.
De president werd zwaargewond naar een huis aan de andere kant van de straat gebracht, waar hij in een bed werd gelegd. Lincoln was buiten bewustzijn en de dokters geloofden niet dat hij kon herstellen van zijn verwondingen. De president overleed uiteindelijk de volgende ochtend.
Volgens historici was Lincoln na de aanslag een stuk populairder onder de bevolking dan tijdens zijn presidentschap. Zijn lichaam werd dagenlang in een open doodskist met de trein doorheen het land vervoerd, met tussenstops in onder meer Philadelphia en New York. De reis eindigde uiteindelijk in Springfield, Illinois, waar hij werd begraven.
De politie en het leger zochten dagenlang naar Booth, die zich verschuilde in een schuur in Virginia. Toen de ordediensten hem vonden, werd hij meteen doodgeschoten. Verschillende medesamenzweerders werden opgehangen voor landverraad.
2 juli 1881 - James Garfield
De 20e president van de Verenigde Staten, James Garfield, was slechts 4 maanden aan het werk, toen hij op 2 juli 1881 werd neergeschoten in een treinstation in de hoofdstad Washington. De president was op dat moment onderweg naar het noorden voor een vakantie met zijn familie.
De dader Charles Guiteau schoot meerdere kogels af. Garfield werd geraakt in de arm, maar ook in de rug. De laatste kogel raakte zijn pancreas net niet, maar veroorzaakte toch een aanzienlijke wonde. Guiteau werd meteen opgepakt door de politie en verklaarde dat hij Chester A. Arthur als president wilde. Later bleek dat Guiteau ambities had voor een topfunctie binnen de overheid en een diplomatieke positie in Europa, maar dat hij die niet had gekregen. Hij werd ter dood veroordeeld en opgehangen.
Garfield overleed niet onmiddellijk aan zijn verwondingen. Hij leefde in totaal zo'n 80 dagen met zijn verwondingen. In die periode kon hij zijn taken als president niet uitvoeren: hij ondertekende slechts 1 uitleveringsdocument. Uiteindelijk overleed Garfield op 19 september 1881 aan een de gevolgen van een hartaanval, interne bloedingen en een bloedvergiftiging.
6 september 1901 - William McKinley
President William McKinley was op 6 september 1901 in de stad Buffalo, New York. Daar vond op dat moment de Pan-American Exposition plaats. McKinley hield een 'meet and greet' met verschillende aanwezigen, die in een rijtje stonden om de president te ontmoeten. Toen het de beurt was aan Leon Czolgosz, schoot die McKinley van dichtbij neer.
McKinley geraakte ernstig gewond, maar zijn dokters hadden wel goede moed dat hij de aanslag zou overleven. De dokters slaagden er echter niet in de beide kogels uit het lichaam te verwijderen. Rond de tweede kogel, die niet werd gevonden, ontstond een gangreen-infectie, die de president enkele dagen na de aanslag fataal werd.
Leon Czolgosz werd meteen aangehouden. Hij voelde zich geïnspireerd door de anarchist Gaetano Bresci, die de Italiaanse koning Umberto I had vermoord. Net voor zijn terechtstelling verklaarde Czolgosz dat hij McKinley had vermoord "omdat hij de vijand was van de goede mensen, de werkende mensen". De anarchist stierf uiteindelijk door elektrocutie.
22 november 1963 - John F. Kennedy
Een van de bekendste moordaanslagen op presidenten was die op John F. Kennedy. Die vond plaats op 22 november 1963 in Dallas, Texas. De president zat met zijn vrouw en de gouverneur van de staat in een cabrio met open dak, die Kennedy naar zijn volgende campagne-evenement bracht.
Op een bepaald moment opende een schutter het vuur. Kennedy werd eerst achteraan in de nek geraakt, maar overleed niet onmiddellijk. Die kogel raakte uiteindelijk ook de schouder van de Texaanse gouverneur. De tweede kogel raakte de president in de achterkant van het hoofd.
Kennedy overleefde de aanslag niet Alles werd toevallig gefilmd door Abraham Zapruder, die op dat moment zijn nieuwe camera uittest (opgelet: de beelden kunnen als schokkend worden ervaren ).
Uiteindelijk bleek dat Lee Harvey Oswald de president met een sluipschuttersgeweer ('sniper gun') had beschoten. Oswald had verregaande sympathieën voor de Sovjet-Unie, waarmee de Verenigde Staten op dat moment in een Koude Oorlog zaten.
Oswald werd opgepakt, maar nachtclubeigenaar Jack Ruby slaagde erin de kelders van het politiekantoor in Dallas binnen te dringen en Oswald neer te schieten. De man verklaarde dat hij Jackie Kennedy - de vrouw van de president - wilde besparen van verder emotioneel leed tijdens de rechtszaak tegen Oswald.
De moord op Oswald liet heel wat vragen rond de aanslag onbeantwoord en was de basis voor verschillende complottheorieën.
Mislukte pogingen
De bovenstaande presidenten zijn echter niet de enigen die het slachtoffer werden van moordaanslagen. Ook andere presidenten zijn aangevallen, maar overleefden de aanslag uiteindelijk wel.
President Theodore Roosevelt was in 1912 in Milwaukee, Wisconsin, om een speech te geven om een derde termijn binnen te halen. De president was onderweg naar de plek van de speech toen hij werd beschoten. De kogel raakte Roosevelt, maar werd echter afgeremd door de brillendoos en een 50 pagina's tellende kopie van zijn speech, die allebei in zijn borstzak zaten. Roosevelt overleefde de aanslag en gaf uiteindelijk ook zijn speech. De kogel bleef voor de rest van zijn leven in zijn lichaam zitten.
In 1981 had Ronald Reagan net een speech gegeven voor 5.000 aanwezigen in de hoofdstad Washington. Toen hij vertrok, werd hij echter beschoten. Een kogel ketste af van een limousine en raakte de president in zijn linkeroksel, maar hij kwam er met lichte verwondingen vanaf. Verschillende anderen ter plaatse geraakten ernstiger gewond. De dader kreeg een celstraf en werd na 41 jaar, in 2022, vrijgelaten.
Naast Roosevelt en Reagan werden ook Franklin D. Roosevelt, Harry Truman, Gerald Ford en George W. Bush slachtoffer van aanslagpogingen.
Ook presidentskandidaten en Congresleden geviseerd
Niet alleen de Amerikaanse president, ook andere politici waren al het doelwit van moordaanslagen. Er zijn er heel wat, maar hieronder enkele voorbeelden.
Robert Francis Kennedy, de broer van de neergeschoten John F. Kennedy, had zich in de jaren 60 kandidaat gesteld voor het presidentschap. Hij had al verschillende voorverkiezingen gewonnen en leek goed op weg om naar het Witte Huis te trekken, maar werd neergeschoten tijdens een campagneviering. Hij overleed de volgende dag. Robert Kennedy was de vader van Robert F. Kennedy Junior, die momenteel ook kandidaat is voor het Amerikaanse presidentschap.
De Democratische afgevaardigde Gabrielle Giffords raakte in 2011 zwaargewond bij een schietpartij in Arizona. Daarbij liep ze een ernstig hersenletsel op. Giffords trok zich een jaar later terug uit de politiek, om te kunnen werken aan haar herstel, maar zet zich sindsdien extra hard in voor betere wapenwetten in de Verenigde Staten. Giffords was een van de eersten om de aanslag op Trump te veroordelen.
De Democrate Nancy Pelosi, die lange tijd voorzitter van het Huis van Afgevaardigden was, was in 2022 ook het doelwit van een aanslagpoging. In oktober 2022 drong David DePape het huis van de Pelosi's binnen in San Francisco, Californië. Daar trof hij niet Nancy, maar haar man Paul Pelosi aan. DePape sloeg Paul Pelosi uiteindelijk met een hamer neer. Die liep een schedelbreuk en verwondingen aan zijn rechterarm en -hand op, maar overleefde de aanval wel.



