10 procent van de mensen lijdt aan een vorm van trypofobie, een angst voor gaatjes. Dat blijkt uit een studie van de Universiteit van Essex. Opvallend: vooral de jongere generatie heeft er last van. "Dat kan in de hand gewerkt worden door erover te horen en lezen op sociale media, maar het speelt ook in op een aangeboren gevoeligheid", zegt professor cognitieve psychologie Tom Beckers.
1 op de 10 heeft last van trypofobie of 'angst voor gaatjes' (en dat is niet enkel de schuld van sociale media)
Je hebt er misschien al eens van gehoord: trypofobie, of de angst voor kleine gaten. Niet zeker wat je je daarbij moet voorstellen? "Mensen met trypofobie voelen zich ongemakkelijk of onpasselijk bij de aanblik van een honingraat, een stuk chocolade met kleine gaatjes in, sponzen, of gewoon uitgebloeide zonnebloemen", legt professor cognitieve psychologie Tom Beckers uit in 'Nieuwe feiten' op Radio 1.
Eender welk patroon met gaatjes kan dus een reactie uitlokken. "Er zijn mensen die daar echt fysieke sensaties van krijgen: jeuk, rillingen, gevoel van ongemak, koud zweet... Zelfs misselijkheid, of het gevoel dat er iets over je vel kruipt."
De term trypofobie dook volgens Beckers voor het eerst op op het internet rond 2005. Dat deed vragen rijzen of de angst niet gewoon aangeleerd is onder invloed van sociale media. Is het wel een 'echte' fobie? Een studie van de Universiteit van Essex werpt nieuw licht op de zaak.
Angst als leerproces
"We weten dat sociale leerprocessen sowieso een hele grote rol spelen in alles wat met angst en het ontstaan van angst te maken heeft", zegt Beckers. Al is niet alles aan dat leerproces te wijten, benadrukt hij. Er is al een 'kiem' van angst nodig.
"We hebben wel angst voor bijvoorbeeld spinnen, maar niet voor auto's of geweren. Daar zijn geen fobieën voor, terwijl er veel vaker ongevallen met auto's of geweren voorkomen. Dus om een echte fobie te zijn, moet het gaan om een sociaal leerproces dat zich ent op een ingebakken gevoeligheid voor bepaalde objecten of situaties. Dat bezitten we dan allemaal in zekere mate."
Trypofobie in de gaten
Hoe zit dat voor trypofobie? In een eerste experiment van de universiteit van Essex werden 2.561 participanten gevraagd een trypofobie-vragenlijst in te vullen. "Zo'n 10 procent van alle deelnemers scoorde boven een klinische grenswaarde en heeft dus trypofobie. Daarbij waren de scores van vrouwen iets hoger dan van mannen en namen ze ook duidelijk af naarmate de deelnemers ouder waren."
"Dat past bij het idee dat het minstens aangespoord wordt door gebruik van sociale media", zegt Beckers. Al is dat niet de doorslaggevende factor. "Er zijn wel meer fobieën die vaker voorkomen bij vrouwen en bij jonge mensen, zonder dat die iets met sociale media te maken heeft." Arachnofobie of de angst voor spinnen is daar een klassiek voorbeeld van.
Angst voor gaatjes? Het bestaat écht!
Om de invloed van het internet in te schatten, hebben de onderzoekers een nieuwe groep van 300 deelnemers tussen de 19 en 22 jaar dezelfde vragenlijst gegeven. Daarbij werd ook gepolst of ze eigenlijk ooit van trypofobie gehoord hadden.
"In die nieuwe groep scoorde maar liefst 33 procent boven de grenswaarde. 1 op 3 had in meer of mindere mate echt last van trypofobie." Maar wat volgens Beckers vooral opmerkelijk is, is dat een kwart van hen nog nooit van trypofobie gehoord hadden.
"Het lijkt erop dat de angst in de hand gewerkt kan worden door erover te horen en te lezen op sociale media, maar dat het dus ook wel echt inspeelt op een aangeboren gevoeligheid", concludeert Beckers. "Dat kunnen we trouwens ook afleiden uit het feit dat het ook al voorkomt bij 3- tot 4-jarige kinderen."
Maar waarom eigenlijk?
Over de achterliggende 'reden' van de fobie, kunnen onderzoekers enkel speculeren. "Eén mogelijkheid is dat dat soort patronen van gaatjes een beetje lijkt op de stippenpatronen van bepaalde giftige dieren. Giftige kikkers hebben bijvoorbeeld vaak stippen op hun huid."
"Een andere verklaring is dat het iets te maken zou hebben met een gevoeligheid voor tekenen van huidziektes of schimmelinfecties. Die kunnen ook patronen veroorzaken, denk maar aan mazelen." Het kan tenslotte ook gelinkt worden aan tekenen van verrotting en bederf. "In voedsel dat aan het bederven is, zie je vaak gaatjes ontstaan."
Alle klassieke behandelingen die je kan inzetten voor behandeling van fobie, kan je ook voor trypofobie aanwenden
Tom Beckers, cognitief psycholoog
"Al die verklaringen suggereren dat we op een of andere manier evolutionair voorgeprogrammeerd zouden zijn door natuurlijke selectie om voor dat soort patronen toch makkelijk aversie te ontwikkelen", verklaart Beckers. Dat is nuttig voor een omgeving waar giftige kikkers, besmettelijke huidziektes of rot eten onze overleving bedreigde. Maar nu is dat nauwelijks het geval.
Gelukkig valt er ook iets aan te doen. "Alle klassieke behandelingen die je kan inzetten voor behandeling van fobie, kan je ook voor trypofobie aanwenden", zegt Beckers. Blootstellingstherapie in het bijzonder kan zijn vruchten afwerpen.
"Als je jezelf ertoe kan brengen is jezelf toch blootstellen aan die stimuli, ook al lokken ze wat angst of misschien bij sommige mensen zelfs walging uit. Dat gaat er uiteindelijk voor zorgen dat het afneemt."

