Vandaag worden in Nederland de 'bewindspersonen van de regering beëdigd'. De kandidaat-ministers die straks de eed zullen afleggen, zijn vooraf gescreend door Staatsveiligheid. Eén kandidaat-minister werd op basis van die screening zelfs geweerd. In ons land wordt vreemd genoeg niet nagegaan of kandidaat-ministers en staatssecretarissen integer en betrouwbaar zijn. Ook niet als die kandidaten straks toegang krijgen tot gevoelige informatie.
Nederlandse ministers mogen pas eed afleggen na screening door Staatsveiligheid: waarom gebeurt dat niet bij ons?
Gidi Markuszower staat straks niet in het rijtje om de eed af te leggen bij Koning Willem-Alexander. Hij was nochtans door de PVV van Geert Wilders aangeduid als minister voor Migratie. Maar Wilders maakte uiteindelijk een andere keuze omdat Markuszower niet door de screening van de Nederlandse inlichtingendienst raakte.
Markuszower zou onder meer informatie hebben gegeven aan de Israëlische inlichtingendienst. In Nederland worden kandidaat-ministers op vraag van de formateur systematisch gescreend door de Nederlandse inlichtingendienst AIVD . In België gebeurt dat niet.
Daarvoor ontbreekt in ons land (in tegenstelling tot in Nederland dus) een wettelijke basis. De Staatsveiligheid doet jaarlijks wel ongeveer 200.000 screenings. Dat gebeurt voor o.a. asielzoekers, maar ook voor mensen die werken op gevoelige plaatsen zoals luchthavens of kerncentrales.
Wat is zo'n screening?
Een screening is een relatief eenvoudig onderzoek. De Staatsveiligheid zoekt in haar bestanden of ze informatie heeft over iemand. Beschouw het als een simpele zoekopdracht in de computer.
Naast een screening kan de Staatsveiligheid ook een veiligheidsonderzoek doen. Dat is een actief en doorgedreven onderzoek dat soms maanden in beslag kan nemen. De uitkomst daarvan kan ertoe leiden (als er geen tegenindicaties zijn) dat iemand een veiligheidsmachtiging krijgt. Zo’n veiligheidsmachtiging geeft toegang tot zogenoemde geclassificeerde informatie, zeg maar geheime informatie.
Voor kandidaat-ministers gebeurt noch het ene, screening, noch het andere, veiligheidsonderzoek.
Een minister die een veiligheidsmachtiging vraagt, krijgt die zonder dat er wat dan ook wordt nagegaan
Sterker, regeringsleden kunnen op eenvoudig verzoek zo’n veiligheidsmachtiging krijgen. Uit hoofde van de functie wordt die machtiging zonder meer gegeven aan elke minister die erom vraagt. Met andere woorden, een minister die een veiligheidsmachtiging vraagt, krijgt die zonder dat er wat dan ook wordt nagegaan. En op die manier heeft hij of zij ook toegang tot geheime informatie.
Blijkbaar heeft de wetgever geoordeeld dat kandidaat-ministers per definitie boven elke verdenking staan. Noch onze burgerlijke inlichtingendienst, Staatsveiligheid, noch onze militaire inlichtingendienst, ADIV, hebben een wettelijke basis om dit soort onderzoeken te doen. En dus gebeurt het ook niet.
Eerdere schandalen
Nochtans is daar misschien wel reden toe. Politici vormen op zich geen onderwerp van aandacht van de inlichtingendiensten. Maar dat belet niet dat ze soms wel op hun radar verschijnen. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren in het kader van een lopend onderzoek.
Een recent voorbeeld dat uitvoerig in de media kwam, is de zaak van Steven Creyelman (Vlaams Belang) die als volksvertegenwooriger in opspraak kwam in het kader van een Chinees spionageschandaal waarbij ook zijn broer Frank Creyelman betrokken was.
In het dossier Qatargate, een corruptiezaak in het Europees Parlement, doken de namen op van Marie Arena en Marc Tarabella, beiden Europarlementsleden voor de Parti Socialiste.
Gaat het over de veiligheid van de staat of over de veiligheid van het politiek bestuur?
De politieke ontwikkelingen maken het niet geheel ondenkbeeldig dat de politici die door de Staatsveiligheid als een dreiging worden gezien, vroeg of laat ook naar voor geschoven worden als kandidaat-minister. Minstens theoretisch is het nu dus mogelijk dat die politici zonder dat de Staatsveiligheid daarin gekend wordt, minister worden en bovendien een veiligheidsmachtiging kunnen krijgen.
In een democratisch bestel moet daar misschien toch eens een parlementair debat over gevoerd worden. Het Nederlandse voorbeeld toont aan dat die dreiging reëel is.
Moeten we er als samenleving zonder meer van uitgaan dat kandidaat-ministers alleen maar 's lands belang zullen dienen? Is het niet verstandig om over hen informatie te vragen aan de inlichtingendiensten?
Dat debat zal niet eenvoudig zijn. Want in een politieke context is dat ook de vraag naar de wezenlijke rol van de Staatsveiligheid. Erg eenvoudig en scherp uitgedrukt: gaat het over de veiligheid van de staat of over de veiligheid van het politiek bestuur, de regering?
De vraag is ook welke informatie voldoende zwaarwichtig is om iemand al dan niet te weren. Anderen zullen erop wijzen dat cruciale informatie van de inlichtingendiensten altijd wel op een of andere wijze zal doorstromen, formele regeling of niet.
10 meldingen
Het Comité I (het Comité van Toezicht op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten) publiceerde recent een rapport over de wijze waarop inlichtingendiensten informatie verzamelen over politieke mandatarissen.
Het onderzoek heeft betrekking op de periode september 2020 tot en met 31 december 2023. Onder ‘politiek mandataris’ wordt verstaan: alle ministers en alle volksvertegenwoordigers en sinds eind vorig jaar ook alle burgemeesters, staatssecretarissen, voorzitters van politiek partijen die vertegenwoordigd zijn in het federaal parlement en de gouverneurs.
Let wel, het is niet omdat een politiek mandataris in het vizier van de Staatsveiligheid komt, dat hij of zij ook een bedreiging vormt. Het kan best zijn dat de betrokkene volkomen te goeder trouw contact heeft met iemand zonder dat hij eigenlijk beseft met wie. In die gevallen spreekt men over een ‘slachtoffer’. Soms kan het ook gaan over een louter feitelijke kwestie. Denk in dit verband aan de aanwezigheid van een politiek mandataris bij de ontvangst van een buitenlandse delegatie.
In de voorbije drie jaar deed de Staatsveiligheid welgeteld 10 meldingen. Dat cijfer is moeilijk te interpreteren. Het kan best zijn dat er één melding gemaakt wordt over 2 (of meerdere) personen en omgekeerd kan het ook zijn dat één persoon voorkomt in verschillende meldingen. Maar in orde van grootte gaat het dus om 10 à 15 politici.
Veel details worden daarover in het rapport niet gegeven. Maar wie de actualiteit een beetje volgt, kan bij een aantal dossiers zelf wel makkelijk de namen plaatsen.
Voor de volledigheid vermelden we nog dat de militaire inlichtingendienst (ADIV) slechts één melding deed over een politiek mandataris. Het gaat over een federaal volksvertegenwoordiger die zijdelings in beeld kwam in een dossier van extremisme.
Als de Staatsveiligheid een dreiging vaststelt, brengt ze de minister van Justitie én de premier op de hoogte. Als het gaat om een strafrechtelijke inbreuk, wordt ook het parket op de hoogte gebracht.
Overigens heeft de Staatsveiligheid de intentie om politici bewuster te maken van dreigingen. Dat wil ze doen door middel van veiligheids- en awareness briefings. Dat gebeurt nu al maar, zo staat te lezen, die inspanningen zullen nog opgedreven worden.
Het Comité I deed dit soort onderzoek eerder al in 1997, 1998, 2008, 2013 en 2021 maar vanaf nu zal dit onderwerp permanent opgevolgd worden. Het zegt iets over het toegenomen belang van deze kwestie.


