Bij de verkiezingen van afgelopen zondag zijn er minder voorkeurstemmen uitgebracht dan bij de verkiezingen van 2019. Dat blijkt uit een studie van de UGent. Ongeveer de helft van de kiezers bracht nog een lijststem uit, en dat zowel voor de Kamer als voor het Vlaamse en het Europese Parlement. Vooral in Vlaanderen daalde het gebruik van de voorkeurstem sterk.
Steeds minder mensen geven voorkeurstem door focus op beperkt aantal kopstukken
Voor de federale Kamer van Volksvertegenwoordigers werden dit jaar 3.477.866 voorkeurstemmen uitgebracht. Dat is 3,5 procentpunt minder dan in 2019. In het Vlaams Parlement werden 2.205.355 voorkeurstemmen gegeven: 4,4 procentpunt minder dan 5 jaar geleden. Het aantal voorkeurstemmen voor het Europees Parlement nam tegenover vorige keer af met 4,7 procentpunt.
Een voorkeurstem of naamstem is een stem voor een specifieke kandidaat.
Voorkeurstemmen zijn niet alleen belangrijk omdat ze (gedeeltelijk) bepalen wie verkozen is, maar ook omdat ze een grote invloed hebben op de machtspositie van een politicus: wie veel voorkeurstemmen heeft behaald, kan met meer gezag spreken binnen zijn partij en daarbuiten, en kan meer aanspraak maken op een ministerpost of op een goede plaats op de lijst bij de volgende verkiezingen.
Een lijststem is een stem voor de volledige lijst van een partij. Met een lijststem geef je aan dat je het eens bent met de volgorde waarin de kandidaten op de lijst staan.
Lijststemmen worden verdeeld over de kandidaten op de lijst. Wie op de eerste plaats staat, krijgt als eerste de nodige lijststemmen toegewezen om verkozen te raken (hiervoor wordt een bepaalde drempel gehanteerd). Hierna krijgen de tweede, derde,… kandidaat stemmen toebedeeld tot alle lijststemmen op zijn.
Nieuw is deze trend niet: het gebruik van voorkeurstemmen gaat al voor de vijfde verkiezing op rij achteruit.
Verschillen in kieskringen
Als we dieper in de cijfers duiken, zien we dat het gebruik van de voorkeurstem verschilt tussen de kieskringen. Zo neemt het aantal voorkeurstemmen in Vlaanderen en Brussel overal af, terwijl er in Wallonië een zeer lichte toename te noteren valt, met uitzondering van Waals-Brabant.
Minder mensen gaven een voorkeurstem: hoe komt dat?
De kieskring Limburg was traditioneel de Vlaamse provincie waar het meest per voorkeur werd gestemd. Sinds de verkiezingen van 2014 is dit Antwerpen geworden, en ook nu weer is dat de kieskring waar zowel voor Kamer als voor het Vlaams Parlement het meest per voorkeurstem wordt gestemd. Al zien we ook daar een daling ten opzichte van 2019.
Langs Franstalige zijde blijft de traditionele koploper Luxemburg wel op 1 staan: in de provincie bracht 53 procent van de kiezers voorkeurstemmen uit, wat een lichte stijging is tegenover 2019.
Probleem met kopstukken
De onderzoekers van de universiteit van Gent zien 2 verklaringen voor het dalend aantal voorkeurstemmen.
Heel wat partijen concentreerden hun campagne rond 1 of enkele specifieke boegbeelden, die als het ware de partij verpersoonlijkten. Dit fenomeen wordt ‘de centrale personalisering van de politiek’ genoemd. Probleem is dat deze kopstukken in slechts 1 kieskring kandidaat kunnen zijn. In kieskringen met gebrek aan boegbeelden wordt vaker een lijststem voor de volledige partij uitgebracht, want zo’n lijststem betekent onrechtstreeks ook een stem voor het favoriete boegbeeld.
Dit zorgt ervoor dat het gebruik van voorkeurstemmen stijgt waar deze personen kandidaat zijn, maar het veroorzaakt tegelijkertijd een daling in de andere kieskringen waar ze niet opkomen. De grootste slachtoffers hiervan lijken de lokaal bekende politici te zijn, die minder voorkeurstemmen weten aan te trekken dan vroeger.
Daarnaast kijkt de studie naar de partijen die winst hebben geboekt. In Vlaanderen is er veel meer gestemd op Vlaams Belang en de PVDA dan de voorgaande verkiezingen. Deze partijen hebben nog niet zoveel bekende boegbeelden en krijgen dus meer lijst- dan naamstemmen. Gezien de forse winst die ze geboekt hebben, wegen ze zwaar door op die verhouding.
Deze trend doet zich minder voor in Franstalig België, daarom zien we daar een daling die niet gelijkaardig daling is aan die in Vlaanderen.


