Het Internationaal Zeerechttribunaal stelt een collectief kleine eilandstaten in het gelijk in een klimaatrechtszaak. De eilandstaten pleitten ervoor dat de landen die het VN-zeerechtverdrag hadden ondertekend, meer moesten doen om de klimaatverandering te beteugelen.
Het VN-zeerechtverdrag werd door 157 landen ondertekend. Het verplicht om "alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de vervuiling van de zee als gevolg van de menselijke uitstoot van broeikasgassen te voorkomen, verminderen en beheersen", aldus de rechtbank met zetel in het Duitse Hamburg.
Daaruit vloeit voort dat de staten alles in het werk moeten stellen om "hun uitstoot te verminderen", "het marien milieu te beschermen tegen de impact van de klimaatverandering en de verzuring van de oceanen" en de reeds vernielde ecosystemen "te herstellen".
Deze ongeziene beslissing verruimt daarmee de invulling van het begrip "mariene vervuiling" dat in het verdrag is opgenomen.
Het oordeel van de rechtbank, dat niet bindend is, zal een invloed hebben op hoe de nationale rechtbanken en de internationale rechtspraak het verdrag interpreteren.
De zaak werd aangespannen door Antigua en Barbuda, de Bahama's, Niue, Palau, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Tuvalu en Vanuatu. Dat zijn stuk voor stuk eilandstaten in de Stille Oceaan en de Caraïbische Zee die dreigen te verdwijnen door de stijgende zeespiegel. Die ijveren al 30 jaar lang voor compensatie voor de klimaatschade die ze nu al lijden.


