Naar hoofdinhoud
Een bus voor de fabriek van Van Hool gisteren.

Banenverlies en uitbesteden van productie: Van Hool als symbool voor achteruitgang van onze maakindustrie

De aangekondigde herstructurering bij busbouwer Van Hool, waarbij de komende jaren 1.100 banen verloren gaan, lijkt wel een perfecte illustratie van de achteruitgang van de maakindustrie in ons land. Dat is zorgelijk, want die industrie is niet alleen een motor van innovatie en van onze dienstensector, maar is ook belangrijk voor onze export. Hoe komt het dat onze industrie achteruitboert en is er iets tegen te doen?  

Stefan Grommen Rik Arnoudt
Gepubliceerd:

De laatste maanden lijkt het wel ontslagberichten te regenen in ons land. In oktober vorig jaar kondigde papierfabrikant Sappi in Lanaken de sluiting aan: 600 mensen verloren hun job. Vorige maand raakte bekend dat het lot van Audi Brussels aan een zijden draadje hangt nu de productie van de Q8 e-tron naar Mexico wordt verplaatst. Bij Audi Brussels werken zo'n 3.000 mensen. 

Dat is het onvermijdelijke gevolg van de globalisering, waarbij produceren goedkoper en rendabeler is in lageloonlanden

Macro-econoom Freddy Heylen (Universiteit Gent)

Gisteren kregen we slecht nieuws over Van Hool. De busbouwer in Koningshooikt zit in slechte papieren en wil grondig herstructureren. Zo'n 1.100 werknemers verliezen hun werk en de productie van stadsbussen en touringcars wordt verplaatst naar Noord-Macedonië. Een sociaal bloedbad.

"Deze trend is al veel langer aan de gang", zegt macro-econoom Freddy Heylen (Universiteit Gent). "Dat is het onvermijdelijke gevolg van de globalisering, waarbij het voor de industrie goedkoper en rendabeler is om te produceren in lageloonlanden, zeker als het gaat om jobs waarvoor niet de hoogste scholingsgraad vereist is."

Herinner je de sluiting van de Boelwerf in Temse (1994), Renault Vilvoorde (1997), Opel Antwerpen (2010) of Ford Genk (2014). Allemaal grote assemblagebedrijven met duizenden werknemers die de deuren hebben gesloten omdat er elders in de wereld goedkoper kon worden geproduceerd.

Achteruitgang versnelt

Afgelopen jaar lijkt de achteruitgang van onze maakindustrie in een stroomversnelling te zijn geraakt. De industriële productie in ons land is in 2023 met 5,2 procent gekrompen. Die krimp was het grootst in de farmasector, het gevolg van het feit dat er minder coronavaccins zijn geproduceerd.

Maar ook de chemie- en de kunststofsector slabakken. Hier blijken de dure energie en de hoge loonkosten de boosdoeners. Uit cijfers van werkgeversorganisatie Voka, gebaseerd op gegevens van de Nationale Bank, blijkt dat de productiecapaciteit in de chemie maar voor zo'n 65 procent wordt benut. 

Volledigheidshalve dient te worden gezegd dat de Belgische industrie het de afgelopen 10 jaar relatief beter heeft gedaan dan de Franse of de Duitse. Dat is vooral te danken aan de farmasector.

Waarom toch?

De achteruitgang van onze industrie heeft niet alleen te maken met de globalisering. Economen verwijzen vaak naar de hoge loonkosten. Denk maar aan de vele loonindexeringen sinds 2022, waardoor de winstmarges van onze bedrijven kleiner zijn geworden, en dus ook hun concurrentiepositie. Al moet je dat relativeren, want intussen zijn ook de lonen in onze buurlanden aan het stijgen: de aantasting van onze concurrentiepositie neemt weer geleidelijk af.

Ook onze hoge belastingdruk speelt een rol. Al moet daarbij worden vermeld dat onze fabrieken wereldwijd tot de meest productieve en efficiënte vestigingen ter wereld behoren.

Het vergunningenbeleid kan eveneens een bemoeilijkende factor zijn, want er kan rechtsonzekerheid door ontstaan. Denk maar aan de heisa rond een vergunning van Ineos voor een ethaankraker in de Antwerpse haven.

Daarnaast kan de krappe arbeidsmarkt ons parten spelen: de vraag naar arbeidskrachten is groter dan het aanbod en onze bedrijven hebben het moeilijk om genoeg geschikte arbeidskrachten te vinden. Hoewel ons land niet alleen staat met zijn knelpunteconomie, blijkt ons onderwijs toch wel iets trager bij het bieden van oplossingen.

En laten we dure energie niet vergeten. De torenhoge energieprijzen van 2022 zijn voor de meesten van ons verleden tijd, maar voor de bedrijven liggen de energiekosten nog altijd veel hoger dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten of China.

Hoe belangrijk is industrie?

We horen het geregeld: onze economie is een diensteneconomie. Ons bruto binnenlands product (het totaal van alle geproduceerde goederen en diensten) is inderdaad voor ruim 55 procent gebaseerd op commerciële diensten (groot- en kleinhandel, bijvoorbeeld) en voor zo'n 21 procent op niet-commerciële diensten (onder meer gezondheidszorg).

De industrie is 'maar' goed voor 14,1 procent aandeel in het bbp, maar de sector is met 13,1 procent van het aantal jobs wel de op één na grootste werkgever in Vlaanderen.

Grote industrieën zijn belangrijk voor ons economisch weefsel, want ze zijn belangrijk voor toeleveringsbedrijven eromheen en voor dienstenbedrijven. Denk maar aan IT-bedrijven, schoonmaakbedrijven, transportbedrijven of beveiligingsbedrijven. Als een grote fabriek sluit, heeft dat gevolgen voor een hele reeks bedrijven eromheen.

De industrie wordt ook beschouwd als motor voor innovatie. Daar blijken we het vrij goed te doen. Op het vlak van biotech en chemie bijvoorbeeld staan we sterk. In 2021 ging 3,65 procent van het bbp in Vlaanderen naar onderzoek en innovatie, waarmee we in de Europese Unie aan de top staan. Dat goede cijfer is wel vooral aan de bedrijven zelf te danken, want de Vlaamse overheid blijkt hier wat te dralen. 

Dat ook onze export goed vaart bij een goed draaiende industrie hoeft geen betoog. De belangrijkste exportproducten van ons land zijn farmaceutische en chemische producten. 

Beter op eigen benen staan

Economen vinden dat we dringend moeten nadenken over hoe we zoveel mogelijk industrie hier kunnen houden en over welk soort industrie we hier nog willen. Dat gebeurt allicht best op Europees niveau.

Waarom zo'n beleidsplan voor onze industrie? In eerste instantie zijn er strategische voordelen. Als er meer hier gemaakt wordt, zijn Europese landen ook minder afhankelijk van andere economische wereldspelers.

Dat werd enkele jaren geleden nog geïllustreerd aan het begin van de coronacrisis, toen Europese landen tegen elkaar gingen opbieden om zo veel mogelijk mondmaskers te kunnen kopen in China. Dat maakte pijnlijk duidelijk dat Europa niet in staat was om zelf mondmaskers te produceren.

De oorlog in Oekraïne maakte ons dan weer duidelijk dat het slecht gesteld is met de Europese wapenindustrie, die niet in staat blijkt om te voldoen aan de vragen vanuit Oekraïne. Met een eigen industrie ben je als economie veerkrachtiger tijdens onverwachte crisissituaties.

Meer investeren, minder hindernissen

Als we meer industrie hier willen hebben, zullen we er ook meer in moeten investeren. En daar komen we al gauw in een discussie over staatssteun en in hoeverre die wenselijk is. Want staatssteun wordt vaak beschouwd als een vorm van concurrentievervalsing.

Anderzijds zitten ze ook niet stil bij de concurrentie. In de Verenigde Staten legt de regering-Biden 340 miljard dollar op tafel om groene investeringen aan te trekken, en in China is staatssteun voor de industrie geen loos begrip.

In de Europese Unie zelf hebben de lidstaten nu ook wat meer ruimte gekregen om hun industriële toppers financieel te ondersteunen, maar dat heeft dan weer geleid tot een soort opbod tussen de lidstaten onderling. Daarom pleiten economen voor duidelijke regels op Europees niveau.

We moeten de hindernissen afbouwen die we onszelf opleggen

Bart Van Craeynest, hoofdeconoom Voka

Investeren alleen zal niet genoeg zijn, want we moeten als economie vlotter kunnen inspelen op veranderingen. "De bedrijven zijn al mee: ze investeren volop om te kunnen omgaan met de verandering", zegt Bart Van Craeynest, hoofdeconoom bij Voka. "We moeten ons beleidskader daar beter op afstemmen om de hindernissen af te bouwen die we onszelf opleggen."

Hindernissen zijn volgens Voka te strikte regels op de arbeidsmarkt, het onderwijs dat te weinig beantwoordt aan de noden van de arbeidsmarkt, de soms wel erg complexe fiscale regels en de ingewikkelde regelgeving om een vergunning te krijgen.

De Vlaamse werkgeversorganisatie pleit voor een pragmatische aanpak gebaseerd op prioriteiten. Windmolens bijvoorbeeld zijn prima om klimaatdoelstellingen te halen, maar kunnen ook schadelijk zijn voor de natuur in de omgeving. Daar moeten dus weloverwogen keuzes worden gemaakt.  

BEKIJK

Meer weten over

Meest gelezen

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5

Wat schuilt er achter Go Church? En hoe komt het dat vooral kwetsbare minderjarigen hier slachtoffer van worden? VRT NWS Pano trok op onderzoek.

Lees ook

  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"