Tijdens het Grote Voorzittersdebat van Knack en Trends-Kanaal Z hebben kijkers verschillende cijfers over de Belgische loonhandicap te horen gekregen. Volgens partijvoorzitter Bart De Wever (N-VA) was die met een factor 5 gestegen, bij Sammy Mahdi van CD&V weerklonk dan weer 1,7 procent. Wat zijn die loonkosten en hoe zit het nu werkelijk met de cijfers?
CHECK - Gestegen met factor vijf, of precies 1,7 procent: hoeveel bedraagt onze loonhandicap nu echt?
In het kort
Wat? In een debat over de loonkostenhandicap sprak partijvoorzitter Bart De Wever (N-VA) over een toename met factor 5. Voorzitter Sammy Mahdi (CD&V) zei dan weer 1,7 procent. Die loonkosten bepalen de concurrentiepositie van België tegenover de buurlanden.
Maar? Beide cijfers zijn in principe correct, maar het hangt af van welke jaren je vergelijkt. Bovendien bestaan er verschillende methodes om een loonhandicap te berekenen. Dat kan je doen in vergelijking met het jaar 1996, het jaar van de loonnormwet, of enkel op dit moment. Je kan ook rekening houden met de productiviteit of met loonsubsidies: telkens zal dat tot andere cijfers leiden. Welke berekening je kiest, hangt af van wat je wil meten en welke politieke visie je aanhangt.
Kijkers die het Grote Voorzittersdebat van Knack en Trends-Kanaal Z deze week volgden, kregen heel wat cijfers te horen toen het debat over de koopkracht en de Belgische loonhandicap ging.
Zo horen we partijvoorzitter Bart De Wever zeggen dat volgens de Centrale Raad voor Bedrijfsleven “de loonhandicap met factor 5 is gestegen”. Op de achtergrond horen we partijvoorzitter Sammy Mahdi “1,7 procent” meegeven.
Maar hoe zit het nu precies?
Wat is de loonkostenhandicap?
De loonkostenhandicap wordt op wettelijk vastgelegde manier berekend door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) en drukt uit hoeveel een werknemer aan een bedrijf kost in België in vergelijking met drie referentielanden: Nederland, Duitsland en Frankrijk. Hoe hoger de handicap, hoe slechter de concurrentiële positie van België.
Het uiteindelijke percentage drukt uit hoeveel die handicap is gestegen of gedaald tegenover 1996, het jaar waarop de loonnormwet werd aangenomen. Aangezien die wet bedoeld is om te voorkomen dat de lonen in België sneller stijgen dan de referentielanden, bepaalt de loonkostenhandicap de marges voor loonstijging tijdens intersectoraal loonoverleg.
Vanwaar komen de cijfers?
1,7 procent
Voor de 1,7 procent van Sammy Mahdi verwijst zijn woordvoerder naar een grafiek over de Belgische concurrentiepositie op de website van de Vlaamse Regering. Die is dan weer gebaseerd op een verslag van de CRB uit oktober 2023.
Daarin wordt gesteld dat “de loonkosten in de zin van de herziene wet van 1996 in België sneller gestegen (zijn) dan in de buurlanden, met een groeiverschil van 1,7 procent”. Dit betekent dat de uurloonkosten (ULK’s) van 1996 tot 2024 1,7 procent sneller stegen dan in de referentielanden.
Dit cijfer is echter een prognose voor eind 2024, gepubliceerd in oktober 2023. In een nieuw rapport van 21 februari 2024 werd die prognose bijgesteld naar 1,8 procent. Het cijfer dat Mahdi noemt is dus licht gedateerd, maar klopt in grote lijnen wel.
Factor 5
De Wever baseert zich op hetzelfde CRB-verslag van februari 2024 om aan te geven dat de loonhandicap met factor 5 gestegen zou zijn. Daar lezen we dat de loonkostenhandicap tussen 1996 en 2019 “–0,6” procent bedroeg en tussen 1996 en 2023 “2,9” procent.
“Vanuit de winst in 2019 dus nu 5 keer zo groot in tegengestelde richting”, klinkt het bij de N-VA.
In die zin hebben zowel Mahdi als De Wever gelijk. Tussen 2019 en 2023 is de loonhandicap ongeveer met factor 5 gestegen, tot 2,9 procent. De prognose voor eind 2024 is echter dat die weer daalt tot 1,8 procent.
Door de automatische loonindexering stijgen de loonkosten in België veel sneller bij inflatie. In de praktijk volgen de buurlanden wel, maar iets trager. Daardoor is de loonkostenhandicap het hoogst in jaren met hoge inflatie, zoals 2023.
Wat betekenen deze cijfers?
Twee verschillende cijfers dus. Een recente publicatie van het ACV maakt nog eens extra duidelijk dat er meerdere manieren zijn om de loonkostenhandicap te berekenen. “De gemiddelde Belgische uurloonkost lag in 2022 3,8 procent lager dan in de buurlanden, toont een nieuw rapport van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Van een ‘loonhandicap’ is dus geen sprake”, klinkt het daar.
De CRB berekent de loonkostenhandicap op een manier die in de loonnormwet is vastgelegd, maar geeft aan dat er ook andere manieren zijn om dit te berekenen. De ‘wettelijke’ manier drukt procentueel uit hoeveel de kloof in loonkosten tussen België en de referentielanden is gestegen (of gedaald) sinds 1996 en neemt geen subsidies of belastingvoordelen mee in die berekening. Indien die wel worden meegenomen, kom je uit bij de -3,8 procent in 2022 die het ACV berekende.
Daarnaast kan ook gekeken worden naar het verschil tussen de gemiddelde uurloonkosten in België en de referentielanden op dit moment; de absolute loonkostenhandicap. “Deze is in het recente rapport berekend op 10,6 procent voor 2022”, zegt arbeidseconoom Eva Van Belle (Vrije Universiteit Brussel). “Met andere woorden: de gemiddelde loonkosten in België waren in 2022 10,6 procent hoger dan het gemiddelde van de drie buurlanden.”
Ook de productiviteit kan in rekenschap genomen worden. “Indien werknemers in België productiever zijn dan in onze buurlanden, zal de reële loonhandicap - in termen van hoeveel je opbrengt aan een bedrijf - lager zijn”, zegt Van Belle. “In dat geval is de loonhandicap voor 2022 volgens de CRB -2,8 procent.”
Bestaat er een "correcte" manier om de loonkostenhandicap uit te drukken?
“Neen”, zegt Van Belle. “Er zijn verschillende manieren om de loonkostenhandicap uit te drukken omdat ze iets verschillends meten. De correcte manier is dus afhankelijk van wat je precies wilt weten.” Wel is er natuurlijk de ‘wettelijke’ manier die de CRB hanteert.
“Het al dan niet opnemen van de loonsubsidies in de berekening, blijft voor discussie zorgen”, zegt ook econoom Glenn Rayp (UGent). “Ook is er discussie over het corrigeren ten aanzien van de situatie in 1996 of het opnemen van productiviteitscijfers. Er wordt verondersteld dat deze in België en de buurlanden dezelfde zijn, maar dat is niet noodzakelijk waar.”
“Belangrijk is ook om rekening te houden dat dit slechts een momentopname is. Een stijging in de loonhandicap is dus gevaarlijk voor onze competitiviteit, maar minder als dit slechts tijdelijk is. Lonen in het buitenland worden niet automatisch geïndexeerd, maar op termijn wel aangepast aan de levensduurte.”
Conclusie
Er doen verschillende cijfers de ronde over de loonkostenhandicap. Afhankelijk van de berekening en het jaar waarmee vergeleken wordt, verschillen de cijfers. De gebruikte cijfers zijn in principe waar, maar hangen sterk af van welk punt je wil brengen.
Volgen we de berekening die de wet voorschrijft, dan raamt de CRB voor 2024 dat de loonhandicap 1,8 procent is toegenomen tegenover 1996. Een prognose kan nog veranderen natuurlijk. In 2023 was de loonhandicap 2,9 procent.
Deze berekening houdt geen rekening met productiviteit of loonsubsidies. In dat geval komen we uit op heel andere cijfers.
Meer informatie over de factchecks van VRT NWS?
Zoek je meer verhalen van VRT NWS CHECK over factchecking, desinformatie of online bedrog? Die vind je hier.
Wil je weten hoe we te werk gaan bij het factchecken? Dat lees je in dit artikel.
Heb je vragen of opmerkingen of wil je weten wie er in ons team zit? Dat lees je in dit artikel.
Je vindt onze factchecks ook terug bij deCheckers , samen met betrouwbare factchecks van enkele andere Vlaamse en Nederlandse redacties.
Wil je iets laten checken? Stuur ons dan een mail via check@vrtnws.be.
VRT NWS is erkend lid van het International Fact-Checking Network .
