Vergelijk je alle geïndustrialiseerde landen, dan zijn de Belgische 65-plussers voor hun inkomen het meest afhankelijk van het wettelijke pensioen. Dat blijkt uit een studie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waarover De Tijd bericht. Langer werken of bijverdienen na je pensioen lijkt hier nog altijd niet echt in de cultuur te zitten.
Nergens zijn 65-plussers zo afhankelijk van hun wettelijk pensioen als in België
In België halen 65-plussers 85,8 procent van hun inkomen uit publieke middelen, zo leren nieuwe cijfers van de OESO. Dan gaat het dus over het wettelijke pensioen dat je krijgt van de overheid na je professionele carrière, ook wel de "eerste pijler" genoemd. België spant daarmee de kroon van alle OESO-landen. Luxemburg en Oostenrijk vervolledigen de top 3.
Ter vergelijking: het OESO-gemiddelde ligt op amper 57,3 procent inkomsten uit overheidsmiddelen. En in Europese landen als Zweden, Denemarken, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland ligt dat aandeel van de inkomsten uit het wettelijke pensioen zelfs onder het OESO-gemiddelde.
Tweede pijler
Hoe dat komt? Een eerste verklaring blijkt vooral pensioentechnisch te zijn: de tweede pensioenpijler (inkomsten uit een groepsverzekering bij je werkgever) en derde pijler (pensioensparen) worden in België nog vaak op een andere manier uitbetaald dan in andere landen.
Velen krijgen bij ons die som in een keer gestort, vaak zelfs voor ze 65 zijn, en dus niet als een maandelijks of jaarlijks terugkerende rente. Maar daardoor duikt dat geld ook niet op in de OESO-inkomensstatistieken voor België
Wouter De Tavernier, pensioenspecialist bij de OESO, heeft op zich geen problemen met die manier van uitbetalen, maar ideaal is het niet, zegt hij in "De ochtend" op Radio 1. "De essentie van een pensioen is om je te verzekeren tegen het feit dat je op je oude dag je middelen 'opleeft'. Als je het geluk hebt lang te leven, wil je vermijden op een bepaald moment zonder inkomen te zitten. Een pensioen zorgt voor een stabiele stroom van inkomsten. Maar als je dat pensioen (in dit geval dus de tweede of derde pijler, red.) in een keer uitbetaalt, verdwijnt dat verzekeringsaspect."
Langer werken
Nu, los van dat technische argument - dat zichzelf volgens De Tavernier deels zal oplossen naarmate de tweede pijler meer uitgebouwd geraakt in ons land - gaan Belgen ook nog altijd gewoon relatief vroeg met pensioen. De wettelijke pensioenleeftijd ligt dan wel op 65 (en tegen 2030 op 67), maar de effectieve pensioenleeftijd schommelt hier rond de 61.
"Dat heeft onder meer te maken met de verschillende mogelijkheden in België om vervroegd met pensioen te gaan", weet De Tavernier. "Maar mensen kiezen er soms zelfs voor om op eigen middelen vroeger met pensioen te gaan. Een typisch voorbeeld is dat koppels graag 'samen' met pensioen gaan, om op z'n minst even samen te genieten van die vrije tijd. Dat is niet noodzakelijk problematisch op individueel vlak, maar dat heeft natuurlijk wel consequenties voor de belastinginkomsten die de overheid krijgt."
En die inkomsten zijn dan weer van belang voor de betaalbaarheid van de pensioenen. Doordat ons land vergrijst, zullen 65-plussers tegen 2050 al een vierde van de totale Belgische bevolking uitmaken. Gevolg is dat de pensioenuitgaven jaar na jaar oplopen en we daaraan dus een groter deel van onze gezamenlijk opgebouwde welvaart zullen moeten spenderen. De overheid probeert dat onder meer te counteren door mensen op latere leeftijd aan het werk te krijgen of te houden.
Belgische ouderen meer afhankelijk van wettelijk pensioen dan in andere geïndustrialiseerde landen
Cultuuromslag
Bovendien wijzen de OESO-cijfers ook op een andere mentaliteit in ons land als het gaat om werken ná je pensioen, ziet De Tavernier. Want waar gemiddeld in OESO-landen het aandeel 'inkomen uit werk' voor 65-plussers op ruim 25 procent ligt, klokt België af op amper 9,5 procent. Daarmee zitten we ook bij de laagsten van de klas.
Het beleid stimuleert langer werken en bijverdienen na je pensioen nochtans almaar meer, maar een echte omslag is op dat vlak dus nog niet te zien in de OESO-cijfers. "Hier heerst een zekere cultuur van 'te mogen genieten van je pensioen want je hebt het verdiend', en dus hoef je niet meer te werken", analyseert De Tavernier.
Maar die omslag kan er wel nog komen, denkt hij. "In een aantal landen hebben we dat gezien van zodra een kleiner deel van de bevolking langer is gaan werken. Dat maakte dan ook dat werkgevers daar het belang van oudere werknemers begonnen in te zien. Dus eens er een kleine kritische massa is die die beweging maakt, kan het snel gaan."


