Het is feest in Turkije, want de republiek bestaat vandaag exact 100 jaar. Op 29 oktober 1923 werd de Turkse Republiek opgericht op de ruïnes van het Ottomaanse Rijk. Maar wie concerten en feestjes verwachtte, is eraan voor de moeite. De regering van Erdogan kiest voor een ingetogen viering. "Omwille van de aardbeving en de situatie in het Midden-Oosten", klinkt het bij de overheid. Maar volgens de oppositie is er toch iets anders aan de hand.
Turkije viert 100-jarig bestaan, maar veel Turken storen zich aan de "ingetogen viering" van Erdogan
De moderne republiek Turkije bestaat vandaag exact een eeuw, maar verwacht geen grote parades, optredens of feestelijke recepties. De regering van president Erdogan heeft gekozen voor een ietwat ingetogen viering. De verjaardag komt immers slechts enkele maanden na de verwoestende aardbeving die aan 50.000 mensen het leven kostte, en ook de oorlog in het Midden-Oosten stemt niet tot feestvreugde, vindt Erdogan.
Erdogan legde een bloemenkrans neer bij het mausoleum van verzetsleider Atatürk en vanavond is er een drone- en vuurwerkshow, maar daar blijft het voorlopig bij. Veel Turken kunnen zich niet vinden in die beslissing. Volgens de oppositie spelen er mogelijk nog andere motieven voor het ingetogen karakter van het verjaardagsfeest.
Een modern, seculier Turkije
Daarvoor moeten we een stuk terug in de tijd, naar het einde van de Eerste Wereldoorlog. Het Ottomaanse Rijk kwam verzwakt uit de oorlog. Er waren veel politieke, economische en sociale problemen en de bevolking was ontevreden over de manier waarop het rijk werd geregeerd. De geallieerde machten, de grote winnaars van de oorlog, begonnen delen van het rijk te bezetten. Mustafa Kemal Atatürk, een ervaren militaire commandant, was bezorgd over de verdeeldheid en de invloed van de bezettende mogendheden.
Hij begon met het organiseren van verzet tegen de bezetters en verzamelde aanhangers die vastbesloten waren om de onafhankelijkheid van Turkije te herstellen. De onafhankelijkheidsoorlog begon in 1919 en eindigde in 1922, met de succesvolle bevrijding van Izmir. Een jaar later, op 29 oktober 1923, werd de Republiek Turkije opgericht.
Mustafa Kemal Atatürk, de leider van de onafhankelijkheidsbeweging, werd de eerste president van de republiek. Hij had grootse plannen met Turkije en lanceerde een ambitieus moderniseringsprogramma. Dat programma moest van Turkije een seculiere (lees: verwereldlijking) en democratische staat maken. Hij kreeg de naam 'Vader van de Turken'.
Atatürk voerde enkele radicale hervormingen door: het kalifaat (een staat die geregeerd wordt door een kalief, dat wil zeggen een opvolger van de islamitische profeet Mohammed, red.) werd afgeschaft, het Arabische schrift werd vervangen door het Romeinse alfabet, vrouwen kregen stemrecht en Europese wetten en codes werden aangenomen.
Toch legde Atatürk in zijn beleid vooral de nadruk op de secularisering van Turkije. Er kwam een verbod op hoofddoeken op scholen en openbare instellingen, religieus onderwijs werd ingeperkt en het werd eenvoudiger om alcoholische dranken te nuttigen. Op vraag van Atatürk werd zelfs de belangrijkste Ottomaanse keizerlijke moskee, de Hagia Sofia, omgebouwd tot een museum.
Mosterd bij het geloof
Onder de nieuwe, eerste president kwam er dus een meer doorgedreven scheiding tussen kerk en staat. Toch is het de doorgedreven secularisering die de huidige president van Turkije, Recep Tayyip Erdogan, nu stoort. Onder het bewind van de conservatieve regering van Erdogan van de laatste twee decennia, doet er zich een verschuiving voor naar een meer religieuze samenleving. Zo werden de beperkingen op het religieus onderwijs opgegeven en werd het gebed voor overheidsmedewerkers ingevoerd.
Maar ook voor zijn economisch beleid haalt Erdogan de mosterd bij het geloof. Denk maar aan zijn onorthodoxe strategie (die ondertussen al werd afgevoerd) om de rentetarieven te verlagen. Erdogan gelooft, in tegenstelling tot de gangbare theorie onder economen, dat een hogere rente leidt tot hogere prijzen. Lage prijzen moeten volgens Erdogan de export en de productie van producten stimuleren. Toch zou die beslissing voor een groot deel ook ingegeven worden door geloof.
In de islamitische financiële wereld is het heffen of betalen van rente (riba) immers verboden. Dit principe is afgeleid van islamitische shariawetten. Erdoğan en zijn regering hebben in het verleden de nadruk gelegd op het belang van islamitische financiële principes en hebben geprobeerd om het gebruik van rente te verminderen.
Wat heeft dat nu te maken met de Turkse verjaardag?
De aankondiging van de ingetogen viering van de 100-jarige verjaardag van Turkije kon bij veel Turken op weinig begrip rekenen. Ze geloven dat de regering van Erdogan probeert de erfenis van de grondlegger van de republiek, Mustafa Kemal Atatürk, te ondermijnen. Volgens hen is de afwezigheid van een grootse viering een poging om de herinnering aan Atatürk - en zijn seculiere samenleving - uit te wissen.
Veel Turken kiezen er dan ook voor om zelf feestjes of evenementen te organiseren bij hen thuis. In steden en gemeenten die door de oppositiepartijen bestuurd worden, worden dan weer wél optochten en concerten georganiseerd. De populaire Turkse artiest Tarkan, wiens nummers vooral in de smaak vallen bij sympathisanten van de Turkse oppositie, lanceerde ook speciaal een liedje naar aanleiding van de verjaardag.
Volgens Meral Aksener, de leider van de centrumrechtse oppositiepartij IYI grijpt de regering van Erdogan elke kans om de 100e verjaardag van de republiek te doen mislukken. "Er zijn mensen die 100 jaar later nog steeds een probleem hebben met onze republiek", zei Aksener.
De verzetsleider Atatürk is nog steeds erg populair in het land. Zijn portretten hangen aan de muur in scholen, kantoren en huizen. Op de verjaardag van zijn dood wordt een minuut lang stilte gehouden. Veel Turken lieten zelfs zijn handtekening op hun armen tatoeëren.
Desalniettemin zet Erdogan zijn religieuze koers verder. In 2020 bouwde hij de Hagia Sofia, waar Atatürk een museum van maakte, opnieuw om tot een functionerende moskee.
Toch klinkt de stem van de oppositie steeds luider. Eind mei dit jaar won Erdogan de presidentsverkiezingen met 52,2 procent van zijn uitdager, oppositieleider Kemal Kilicdaroglu (die laatste haalde 47,8 procent van de stemmen). Dat verschil was waarschijnlijker een stuk kleiner dan Erdogan misschien had gehoopt.




