Bomen aanplanten of grond (her)bebossen is een populaire klimaatoplossing. Bomen halen in de loop van hun leven immers een stukje van de broeikasgassen uit de atmosfeer en slaan die op. Maar niet elk bebossingsproject is even geslaagd, vertellen experten.
Op de VN-klimaattop in Dubai staat herbebossing hoog op de agenda. Ook in ons land kan je de strijd tegen de klimaatverandering mee aangaan, door zelf een gebied te herbebossen of door een project in het buitenland te steunen.
We vroegen aan enkele deskundigen die ervaring hebben met projecten in Tanzania, Kenia en Oeganda waar je rekening mee moet houden als je zo’n project wil steunen. Sommige overwegingen zijn ook bruikbaar voor wie in België zelf aan de slag wil gaan.
Is nieuwe bomen planten in dit gebied wel de beste optie?
Pas na meer dan een eeuw slaat een nieuw bos evenveel koolstof op in de vegetatie en in de bodem als een oud bos. Dat berekende het VN-klimaatpanel IPCC. Doordat veel zeldzame dieren- en plantensoorten enkel in oude bossen leven, herstelt de biodiversiteit zich ook veel trager in een nieuw bos.
Je beschermt dus beter bestaande bossen dan nieuwe bomen aan te planten. Er gaan elk jaar nog steeds miljoenen hectaren oud bos voor de bijl, en in de tropen versnelt de ontbossing nog.
Zelfs sterk aangetaste bossen die er op het eerste gezicht niet meer zo weelderig uitzien, zijn vaak nog waardevoller dan nieuwe aanplantingen. “Natuur die nog deels intact is, herstelt zich vaak veel sneller”, zegt de Keniaanse Susan Chomba, directeur bij het World Resources Institute (WRI) in Washington DC.
Natuurlijk herstel bevorderen, is volgens schattingen bovendien een derde tot driekwart goedkoper.
Hoe open is de organisatie?
”Projecten die gewoon zo snel mogelijk bomen willen planten, gaan vaak erg kortzichtig te werk, soms met een ronduit negatieve impact op de natuur en de bevolking”, zegt Andrew Marshall van de Australisch University of the Sunshine Coast en de ngo Reforest Africa, die al jaren onderzoek doet in Tanzania.
Herbebossen gaat met vallen en opstaan, weet hij uit ervaring. “Ik zie als ervaringsdeskundige veel verdachte statistieken over het aantal overlevende bomen, maar de praktijk is vaak moeilijk. Ik verwacht dat de eerste jaren de helft van onze boompjes zal sterven.”
Projecten die duidelijk rapporteren over de data die ze inzamelen, de problemen die ze ondervinden en hoe ze in de toekomst beter hopen te doen, hebben een voetje voor. Samenwerkingen met wetenschappers zijn ook een goed teken.
Stonden er vroeger ook al bomen?
“Bomen aanplanten op plekken waar ze normaal niet voorkomen, is geen goed idee”, weet Marshall. Nochtans gebeurt dat vaak. “Uiteraard moet je enkel bomen planten waar de omstandigheden geschikt zijn”, beaamt ecologe Marion Pfeijfer van de Britse Universiteit van Newcastle, die onderzoek deed in Tanzania.
Woestijngebieden die ooit bebost waren, zijn goede kandidaten voor herbebossing. Die kunnen vanwege de grote droogte en hitte wel wat menselijke hulp gebruiken.
Dat ligt anders voor bijvoorbeeld de Afrikaanse savanne en de Braziliaanse cerrado, habitats met veel gras. De kans is groot dat aangeplante bomen daar vroeg of laat weer opbranden. Dan verdwijnt alle koolstof die er opgeslagen is weer in de lucht, alle inspanningen ten spijt.
Bovendien zijn savanne, cerrado en veengebieden die worden drooggelegd voor bebossing zelf ook waardevolle ecosystemen. “Als je zegt dat je een miljoen bomen gaat planten, dan krijg je applaus. Niemand vraagt: ‘welke bomen, waar en waarom?’. Ik wil wie het goed meent, zeker niet ontmoedigen, maar natuur vernietigen om bomen te planten, kan echt niet”, zegt Susan Chomba van het WRI.
Planten ze genoeg verschillende soorten bomen?
Er werden de afgelopen jaren grote beloftes gedaan om enorme aantallen bomen te planten. Het bekendste programma is de Bonn Challenge, gelanceerd in 2011 om 350 miljoen hectare bos te herstellen tegen 2030.
Er zou momenteel in meer dan zestig landen op 210 miljoen hectare land gewerkt worden. Maar een analyse in het wetenschappelijke tijdschrift Nature toonde aan dat het in bijna de helft van de projecten gaat om enorme plantages van één of enkele soorten. Doorgaans gaat het om exoten die snel groeien zoals coniferen, eucalyptus of acacia. Die worden om de tien tot twintig jaar gekapt, waarbij een deel van de koolstof opnieuw vrijkomt.
Natuurlijk bos herstellen slaat vermoedelijk veertig keer zoveel koolstof op als zo’n eentonige plantage en is bovendien veel beter voor de biodiversiteit. Gezien de enorme oppervlakten zou dat voor de klimaatverandering een groot verschil maken.
Horen deze bomen hier wel thuis?
Bomen uit een ander continent zijn soms beter bestand tegen lokale ziektes en insecten. Dat is een van de redenen waarom ze zo vaak werden ingevoerd voor plantages. Maar ze bieden nauwelijks een onderkomen aan lokale planten en dieren.
Een diverse mix van lokale soorten is bijna altijd de kortste weg naar een ecosysteem dat tegen een stootje kan, betoogt ecologe Marion Pfeifer. Ze verbaast zich erover dat veel projecten nog steeds kiezen voor exotische bomen.
“De Nationale Bosautoriteit doet mee aan de Bonn Challenge, maar plant bijna alleen exoten”, zegt Godfrey Ruyonga, directeur van de Tooro-plantentuin in Fort Portal, Oeganda. “Ze lijken enkel geïnteresseerd in de oppervlakte. Dat noem ik geen bosherstel maar commerciële bosbouw.”
Daar heeft hij op zich niets tegen, tenzij het ten koste gaat van ecologisch herstel. “Tegenwoordig wordt er zelfs inheems bos gekapt om exoten te kunnen planten. Waar nu coniferen en eucalyptus groeien, was vroeger natuurlijk bos. Multinationals kopen gronden op en planten wat ze willen, en krijgen nog carbon credits (uitstootrechten, red.) ook.”
Werken ze samen met de lokale bevolking?
Steun projecten die tientallen jaren lopen, en niet alleen focussen op het planten van bomen, maar ook op samenwerking met lokale mensen. Dat adviseert Andrew Marshall.
“Zelfs beschermde bossen gaan vaak achteruit omdat er bij gebrek aan overleg conflicten ontstaan met de lokale bevolking”, vult Susan Chomba aan. “Als je die inspanningen niet wegwerkt, is duurzaam herstel onmogelijk.”
Minstens één op de acht mensen in lagelonenlanden woont op grond die in aanmerking kan komen voor herbebossing. Zij ondervinden niet noodzakelijk alleen maar voordelen van herbebossing. Er duiken bijvoorbeeld vaker dieren op in hun velden of huizen.
“Wat ik van elk bosherstelproject wil weten, is hoe ze ervoor zorgen dat alle betrokkenen feedback kunnen geven”, zegt Marion Pfeifer. “En hoe ze hun plannen daar in het verleden al aan hebben aangepast.”
Wat gebeurt er wanneer het project is afgelopen?
“Te veel projecten geven vooral geld uit aan consultants, diensten en producten uit het noorden, en vallen stil wanneer de fondsen opdrogen”, vertelt Pfeifer. “Bosherstelprojecten moeten veel meer focussen op het creëren van lokale werkgelegenheid.” Dat maakt een project niet alleen aantrekkelijker, het verhoogt ook de kans dat het wordt verdergezet.
“Uiteraard moeten de aanplantingen en kwekerijen door lokale mensen gerund worden, zodat ze er niet alleen wat aan kunnen verdienen, maar ook de expertise opbouwen om dit te blijven doen. Maar het einddoel moet altijd zijn dat lokale mensen deze projecten ook leiden en monitoren, en zelf de nodige fondsen werven.”
Dit artikel werd gerealiseerd met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor bijzondere journalistiek.
Een langer artikel van de hand van Tim Vernimmen verscheen ook in wetenschapsmagazine Eos.

