Het verhaal leest als een filmscenario: in augustus 1973 hield een bizarre gijzeling in een bank Zweden zes dagen lang in de ban. Niemand kon toen vermoeden dat we 50 jaar na datum nog steeds zouden spreken over de gijzeling, en dan vooral over het psychologische fenomeen dat ermee gepaard ging: het Stockholmsyndroom.
Stockholmsyndroom bestaat 50 jaar: hoe bizarre gijzeling in bank uitgroeide tot psychologisch fenomeen
"Get down to the floor, the party begins!" Met die woorden stormt Jan-Erik (Janne) Olsson op 23 augustus 1973 een vestiging van de Kreditbanken in de Zweedse hoofdstad Stockholm binnen. Bij zich: een machinegeweer en een grote koffer met reservemunitie, explosieven, touw, een mes, maar ook wollen sokken, een zonnebril en walkietalkies. Het zou het begin zijn van een gijzeling die Zweden - en bij uitbreiding de rest van de wereld - zes dagen lang in de ban zou houden. En waar we nu, exact 50 jaar later, nog altijd over spreken.
In eerste instantie neemt Olsson drie vrouwen gevangen: Birgitta Lundblad, Elisabeth Oldgren en Kristin Enmark.
Hij heeft drie eisen voor de politie. Hij wil drie miljoen Zweedse Kronen, een Ford Mustang en - het meest opmerkelijke - hij wil dat Clark Olofsson naar de bank gebracht wordt. Clark wie? Olofsson heeft dan al een stevige reputatie, met verschillende veroordelingen op zijn conto en minstens evenveel ontsnappingen. Hij is minstens even charismatisch als berucht. Tot ieders verbazing wordt Olofsson effectief de bank binnengeloodst. Opeens is er niet één gijzelnemer, maar zijn er twee.
Een volgende verrassing volgt wanneer er een vierde gijzelaar ontdekt wordt. De piepjonge Sven Säfström had zich al die tijd verstopt in een opslagruimte. We kunnen de situatie dus als volgt schetsen: in de kluis van de bank - zonder ramen - zitten de twee gijzelnemers, samen met de vier gijzelaars. Op de verdieping erboven heeft de politie zich geïnstalleerd.
De dagen erna staat Zweden stil. Er zijn belangrijke verkiezingen op til in het land, het gaat slecht met de koning, maar de Zweden denken slechts aan één ding: hoe gaat het "Norrmalmstorgsdramat" zoals het intussen gedoopt is, aflopen? De gijzeling wordt op de voet gevolgd in de media. Telefoongesprekken volgen. Tussen de gijzelnemers en de politie. Tussen de gijzelaars en hun familie. Zelfs interviews live op de radio.
Het meest frappante gesprek is misschien wel dat tussen gijzelaar Kristin Enmark en de premier van Zweden, Olof Palme. Het was niet de bedoeling dat het publiek werd, maar, zonder dat een van de twee het wist, werd hun gesprek opgenomen door de politie. In het Amerikaanse magazine The New Yorker wordt er een jaar na de gijzeling een transcriptie vrijgegeven. Een greep uit dat gesprek:
ENMARK: Ik ben teleurgesteld. Ik denk dat je aan het schaken bent met ons leven. Ik vertrouw Clark en de bankovervaller volledig. Ik ben niet wanhopig. Ze hebben niets met ons gedaan. Integendeel, ze zijn heel lief. Maar, weet je wat Olof, ik heb schrik dat de politie ons gaat aanvallen en ons zal laten sterven.
PALME: Maar de politie zal dat niet doen.
ENMARK: Ik wil dat je ons laat gaan met de overvaller. Geef hen het geld en twee wapens en laat ons wegrijden.
PALME: Dat kan ik niet doen. Denk aan de situatie: ze waren een bank aan het overvallen, en schoten naar de politie.
ENMARK: De politie zou eerst hebben geschoten.
...
Na 42 minuten wordt het gesprek afgerond met een sarcastische "bedankt voor de hulp" van Kristin Enmark. En dan zijn we nog maar vrijdagmorgen.
De dagen erna glijden voorbij. Er wordt af en toe heen en weer geschoten, maar uit de getuigenissen blijkt ook dat de twee daders hun slachtoffers goed behandelen. Ze worden getroost als ze het moeilijk hebben, ze mogen een sigaret roken, ze delen fruit. Toch zijn er ook bange momenten. Zo vertelt Enmark dat Olofsson op een bepaald moment "Killing me softly" aan het neuriën was. Veel later - als alles lang achter de rug was - moest ze nog steeds de radio verzetten telkens dat lied erop kwam.
Pas op 28 augustus komt er een einde aan de gijzeling. De dag(en) ervoor heeft de politie verschillende gaten in het plafond van de kluis geboord om er traangas in te spuiten. Olsson probeert zijn laatste troef nog uit te spelen en zijn gijzelaars een strop om te doen - een dreigement dat hij verschillende keren geuit had - maar het is te laat. Ze vluchten uit de kluis. "Eerst de gijzelaars", luidt het bevel van de politie. Maar - opnieuw een opmerkelijk moment - de gijzelaars weigeren. Enmark roept terug: "Jan en Clark gaan eerst, want je gaat ze neerschieten als we dat doen". En zo geschiedde. Olsson en Olofsson stappen de bank uit, maar niet voor gijzelaars en gijzelnemers elkaar knuffelen, kussen, een hand schudden.
Hoe het de daders vergaan is? Olsson kreeg tien jaar cel voor de overval. Hij kwam begin jaren 80 vrij. In 1996 werd hij aangeklaagd voor financiële misdrijven, waarop hij naar Thailand vluchtte. Hij keerde pas in 2006 terug naar Zweden om zich daar bij de politie te melden met de boodschap: de verjaringstermijn is verstreken.
Olofsson werd in eerste instantie ook veroordeeld voor de gijzeling, maar in beroep werd hij vrijgesproken. Hij beargumenteerde - met succes - dat hij alleen maar zo gehandeld had om de gijzelaars te beschermen en dat hij daarvoor zelfs de toestemming van de politie had. Toch zou hij niet meteen vrijkomen, zijn eerdere straf was immers nog niet uitgezeten. In de jaren erna volgden de veroordelingen (voor overvallen en drugssmokkel) én ontsnappingen elkaar op. Zijn spoor leidde zelfs tot in ons land. Hij trouwde met een Belgische en woonde verschillende jaren in Limburg.
Van overval tot syndroom
Na de gijzeling wordt duidelijk dat de slachtoffers een positieve relatie hebben met de daders. In die mate dat de slachtoffers zelfs ná de gijzeling in meer of mindere mate contact houden met de daders. Het Stockholmsyndroom is geboren - een term die psychiater Nils Bejerot uit zijn mouw schudt. Hij adviseert de politie tijdens de gijzeling. Eigenlijk heette het eerst het Norrmalmstorg-syndroom (naar het plein waar de Kreditbanken gelegen was). Maar omdat "Stockholmsyndroom" een pak beter bekt, is die term uiteindelijk blijven hangen.
Naast de gijzeling in de bank in Stockholm is er in de geschiedenis nog een (mogelijk) voorbeeld van het Stockholmsyndroom: de ontvoering van de 19-jarige Amerikaanse miljonairsdochter Patty Hearst. Zij werd in februari 1974 ontvoerd door de extreemlinkse groepering Symbionese Liberation Army. Ze zou zich gaandeweg bij de groepering hebben aangesloten en enkele maanden nadat ze ontvoerd was, pleegde ze mee een overval op een bank. Meer dan een jaar later werd Hearst gearresteerd en vervolgens ook veroordeeld voor die overval. Volgens haar advocaat was ze duidelijk het slachtoffer van het Stockholmsyndroom maar dat argument viel op een koude steen.
"Voor het fenomeen werden ooit vier componenten opgesteld, waaraan voldaan moet worden", vertellen criminologen Lore Mergaerts en Emma Jaspaert.
De slachtoffers moeten zich in een levensbedreigende of toch minstens zeer ingrijpende situatie bevinden. Het meest voor de hand liggend is een gijzeling of een kidnapping, maar je zou ook langdurig ernstig partnergeweld hieronder kunnen catalogeren.
Er moet een soort van vriendelijkheid van de dader naar het slachtoffer uitgaan. Enkele voorbeelden: de gijzelnemer geeft water, hij slaat zijn slachtoffer niet...
Het slachtoffer moet een gevoel van isolatie ervaren. Je bent afhankelijk van de goodwill, de dader heeft bijna een alleenrecht of je blijft leven of niet.
Als slachtoffer zie je geen andere uitweg uit de situatie dan de dader voor je te winnen.
"De angst gaat op den duur dan wat naar de achtergrond en slachtoffers zien vooral de kleine acts of kindness, de kleine tekenen van genegenheid en genade. Ze zien de dader niet meer als de persoon die hen in die situatie gebracht heeft, maar als de persoon die hen eruit kan halen. Het is een onbewust mechanisme dat op gang komt, dus het is zeker niet altijd een rationele keuze", benadrukt Jaspaert.
We mogen het niet romantiseren
Criminologe Emma Jaspaert
Die gevoelens kunnen ook nazinderen nadat het incident al afgelopen is en dat is niet abnormaal, zegt Jaspaert. "Om te overleven hebben slachtoffers in hun hoofd een verwrongen realiteit ontwikkeld. Het is heel confronterend als je beseft dat dat een verkeerd beeld was van de situatie. Bij langere situaties zal dat meer tijd vragen, dan bij kortere blootstellingen."
Een weetje: het omgekeerde zou ook bestaan en wordt het Lima-syndroom genoemd. Daarbij ontwikkelen ontvoerders of misbruikers positieve gevoelens voor hun slachtoffers. Het syndroom dankt zijn naam aan - opnieuw - een gijzelingscrisis, die in 1996 in de hoofdstad van Peru plaatsvond. Op een feest van de Japanse ambassade werden honderden gasten gegijzeld - onder hen veel hoge regeringsfunctionarissen en diplomaten. Mondjesmaat lieten de gijzelnemers verschillende gijzelaars vrij. En opvallend: het waren vaak "interessante" gijzelaars die mochten vertrekken, wat contradictorisch lijkt in een onderhandelingspositie.
Realiteit of mythe?
Het Stockholmsyndroom heeft de afgelopen jaren een haast mythische status gekregen - vooral in boeken, films en series. Maar er is wel een belangrijke kanttekening te maken: het syndroom is nooit opgenomen in het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders of in het International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems, twee toonaangevende handboeken voor psychiatrische aandoeningen. Daar is volgens Mergaerts een belangrijke reden voor. "Voelen ze dat echt? Of is het een soort van overlevingsinstinct?"
Voelen ze dat echt? Of is het een soort van overlevingsinstinct?
Criminologe Lore Mergaerts
"We mogen vooral het beeld niet romantiseren", zegt ook Jaspaert. "Het is een soort overlevingsmechanisme dat slachtoffers in bepaalde situaties kunnen ontwikkelen om in leven te blijven. Initieel zag men dat in de context van gijzelingen, maar over de tijd heen heeft men beseft dat die symptomen ook terugkomen als er sprake is van langdurige relaties met huiselijk geweld."
"Het kan zeker gebeuren dat slachtoffers zich identificeren met de dader of zelfs sympathie of empathie voelen, zeker als het contact langer duurt", verklaart Mergaerts. "Maar het is moeilijk te meten wat er aan de basis ligt, omdat zulke ernstige situaties als een gijzeling weinig voorkomen en het niet ethisch is om die experimenteel na te bootsen. Het is geen officiële stoornis, en dus ook geen officiële diagnose, omdat er te weinig geweten is over hoe het precies ontstaat en er maar weinig gevallen zijn om uitspraken op te baseren. Want hoe komt het dat je zo'n gevoel overhoudt? En hoe sterk moeten die positieve gevoelens zijn? Het kan ook gaan om een gevoel van opluchting omdat je niet dood bent of dat de daders niets slechts met je gedaan hebben. Zo kan er dan een genuanceerder beeld van de dader ontstaan. Maar het is dus misschien eerder een copingmechanisme."
Niet elk slachtoffer dat iets of wat een positief gevoel heeft tegenover de dader lijdt aan dit syndroom
Criminologe Lore Mergaerts
Zoals wel vaker is de realiteit dus een heel stuk genuanceerder dan de films of de boeken. "Het Stockholmsyndroom refereert aan heel erg positieve gevoelens ten aanzien van de daders en negatieve gevoelens ten aanzien van de politie, maar niet elk slachtoffer dat iets of wat een positief gevoel heeft tegenover de dader lijdt aan dit syndroom. Het komt zelden voor dat slachtoffers echt héél positieve gevoelens ervaren ten aanzien van de dader."
Conclusie: Het label "Stockholmsyndroom" mag niet te snel worden gegeven, niet in het minst omdat we er niet zoveel over weten, net omdat er zo weinig cases zijn.
En eigenlijk hebben de slachtoffers van de gijzeling in Stockholm dat ook zelf zo ervaren. Kristin Enmark, die de bankenwereld inruilde voor een carrière als psychotherapeute, zei zelf in 2016 dat hun relatie met de gijzelnemers "meer zelfbehoud was dan een syndroom".
"Alle dingen die ik deed, waren instinctmatig. Ik wilde overleven. Ik denk dat dat niet zo vreemd is. Wat zou jij doen?"

