Amerikaanse onderzoekers hebben het oudste, onmiskenbare bewijs gevonden dat nauwe evolutionaire verwanten van de mens elkaar geslacht en waarschijnlijk opgegeten hebben. Op een 1,45 miljoen jaar oud been van een mensachtige hebben ze snijsporen gevonden die zijn aangebracht met stenen werktuigen.
In een nieuwe studie beschrijven paleoantropologe Briana Pobiner en haar mede-auteurs negen snijsporen op een 1,45 miljoen jaar oud linker scheenbeen van een verwante van Homo sapiens dat in het noorden van Kenia is gevonden.
Uit een analyse van 3D-modellen van het oppervlak van het fossiel bleek dat de snijsporen als twee druppels water lijken op de schade die toegebracht wordt door stenen werktuigen. De snijsporen zijn het oudste voorbeeld dat met een hoge mate van vertrouwen en specificiteit aan dergelijk gedrag kan toegeschreven worden.
Briana Pobiner is paleoantropoloog aan het National Museum of Natural History van het Smithsonian Institute in Washington, haar mede-auteurs zijn Michael Pante, paleoantropoloog aan de Colorado State University, en Trevor Keevil, doctoraatsstudent en onderzoeksassistent aan de Purdue University in Indiana.
3D-scans
"De informatie die we hebben, vertelt ons dat Hominini [een groep bestaande uit de mens, de chimpansee, de bonobo en een reeks uitgestorven mensachtigen] waarschijnlijk andere homininen opaten minstens 1,45 miljoen jaar geleden", zei Pobiner. "Er zijn talrijke andere voorbeelden van soorten uit de menselijke evolutionaire stamboom die elkaar consumeerden voor voeding, maar dit fossiel suggereert dat de verwanten van onze soort elkaar al opaten om te overleven verder in het verleden dan we dachten."
Pobiner kwam de gefossiliseerde tibia, het scheenbeen, voor het eerst tegen in de collecties van het Nairobi National Museum, terwijl ze op zoek was naar aanwijzingen over welke prehistorische roofdieren jacht gemaakt zouden kunnen hebben op onze oude verwanten en hen zouden kunnen opgegeten hebben. Met een eenvoudig vergrootglas was Pobiner het scheenbeen aan het bekijken op zoek naar bijtsporen toen ze in de plaats daarvan iets opmerkte dat er volgens haar onmiddellijk uitzag als aanwijzingen voor slachterij.
Om na te gaan of wat ze zag op het oppervlak van het fossiel inderdaad snijsporen waren, stuurde Pobiner afgietsels van de snijsporen - gemaakt uit hetzelfde materiaal dat tandartsen gebruiken om een afdruk van tanden te maken - naar haar mede-auteur Michael Pante, die gespecialiseerd is in het identificeren van sporen die mensen en carnivoren op beenderen achterlaten. Ze gaf Pante geen details over wat ze hem gestuurd had en vroeg enkel om de sporen op de afgietsels te analyseren en haar te zeggen wat de sporen gemaakt had.
Pante maakte 3D-scans van de afgietsels en vergeleek de vorm van de sporen met een database van 898 individuele sporen van tanden, slachterij en vertrappeling die hij gemaakt had op moderne beenderen in gecontroleerde experimenten.
Die analyse leverde een positieve identificatie op voor negen van de elf sporen: ze vertoonden een duidelijke overeenkomst met het soort schade dat wordt aangericht door stenen werktuigen.
De twee andere sporen waren waarschijnlijk bijtsporen van een grote kat en leken het meest op bijtsporen van een leeuw. Volgens Pobiner kunnen de bijtsporen veroorzaakt zijn door een van de drie verschillende soorten sabeltandkatten die het land onveilig maakten in de tijd waarin de eigenaar van het scheenbeen leefde.
Voeding
Op zich bewijzen de snijsporen niet dat de menselijke verwant die ze gemaakt heeft, het been ook verorberd heeft. Maar volgens Pobiner lijkt dat wel het meest waarschijnlijke scenario.
Ze legde uit dat de snijsporen zich bevinden op de plaats waar een kuitspier aan het been zou vastgezeten hebben, een goede plaats dus om te snijden als het doel is een stuk vlees te verwijderen. De snijsporen zijn ook allemaal in dezelfde richting georiënteerd, zodat een hand met een stenen werktuig ze allemaal na elkaar gemaakt zou kunnen hebben zonder de greep te veranderen of de hoek waarin er gesneden werd te veranderen.
"Deze snijsporen lijken zeer sterk op wat ik gezien heb op dierlijke fossielen die verwerkt werden voor consumptie", zei Pobiner. "Het lijkt het meest waarschijnlijk dat het vlees van dit been opgegeten werd en dat het gegeten werd als voeding en niet als onderdeel van een ritueel."
Kannibalisme niet zeker
Hoewel deze zaak er op het eerste gezicht kan uitzien als kannibalisme, zijn er volgens Pobiner niet genoeg aanwijzingen om dat vast te stellen, aangezien bij kannibalisme de eter en de gegetene tot dezelfde soort moeten behoren.
Het fossiele scheenbeen werd oorspronkelijk geïdentificeerd als toebehorend aan een Australopithecus boisei (of Paranthropus boisei) en vervolgens in 1990 als toebehorend aan een Homo erectus. Momenteel zijn experten het er echter over eens dat er niet genoeg informatie is om het specimen toe te schrijven aan een bepaald soort van hominine.
Ook het gebruik van stenen werktuigen laat niet toe nader te bepalen welke soort het snijwerk voor haar rekening heeft genomen. Recent onderzoek van Rick Potts van het National Museum of Natural History heeft de ooit algemeen aanvaarde aanname dat slechts één geslacht, Homo, stenen werktuigen vervaardigde en gebruikte, immers nog meer in vraag gesteld.
Het fossiel zou dus een aanwijzing kunnen zijn voor prehistorisch kannibalisme, maar het is ook mogelijk dat dit een geval was waarbij één soort zich tegoed heeft gedaan aan haar evolutionaire neef.
Geen enkele van de snijsporen van de stenen werktuigen overlapt met de twee bijtsporen, wat het moeilijk maakt om iets te zeggen over de volgorde van de gebeurtenissen die plaatsgevonden hebben.
Zo kan een grote kat op de overblijfselen gekauwd hebben nadat de mensachtigen het meeste vlees van het been hadden weggehaald, maar het is net zo goed mogelijk dat een grote kat een onfortuinlijke hominine gedood heeft en dan verjaagd is, waarna opportunistische homininen de buit hebben overgenomen.
Waarde van museumcollecties
Eén ander fossiel - een schedel die in 1976 in Zuid-Afrika gevonden werd - had eerder een debat ontketend over het oudste bekende geval van menselijke verwanten die elkaar slachtten. Schattingen van de ouderdom van de schedel lopen uiteen van 1,5 tot 2,6 miljoen jaar.
Afgezien van de onzekerheid over de ouderdom, zijn twee studies - een uit 2000, de andere uit 2018 - waarin het fossiel onderzocht werd, het niet eens over de oorsprong van sporen net onder het rechter jukbeen van de schedel.
De ene studie stelt dat de sporen het gevolg zijn van stenen werktuigen die hominine verwanten gebruikt hebben, de andere studie denkt dat ze gevormd werden door contact met scherpe stenen die tegen de schedel lagen. En zelfs als oude homininen de sporen gemaakt zouden hebben, is het niet duidelijk of ze elkaar geslacht zouden hebben voor voeding, aangezien er geen grote spieren op de schedel zitten.
Om de vraag te beantwoorden of het fossiele scheenbeen dat zij en haar collega's bestudeerd hebben, inderdaad het oudste fossiel is van een hominine met snijsporen, zou Pobiner graag de schedel uit Zuid-Afrika, waarvan beweerd wordt dat die snijsporen vertoont die met dezelfde technieken gemaakt zijn, opnieuw bestuderen, zo zei ze.
Ze zei ook dat deze nieuwe, schokkende bevinding een bewijs is voor de waarde van museumcollecties.
"Je kan behoorlijk verrassende ontdekkingen doen door terug te gaan naar museumcollecties en fossielen opnieuw te bekijken", zei Pobiner. "Niet iedereen ziet alles de eerste keer. Er is een gemeenschap van wetenschappers nodig met verschillende vragen en technieken om onze kennis van de wereld te blijven uitbreiden."
De studie van Pobiner, Pante en Keevil is gepubliceerd in . Dit artikel is gebaseerd op een persbericht van The Smithsonian Institution.






