De energiefactuur van een gemiddeld gezin was in het crisisjaar 2022 gemiddeld "slechts" 17 procent duurder dan in 2018. Dat hebben economen van de UGent becijferd op basis van de facturen van 930.000 gezinnen. Ondanks enkele uitschieters is de prijs van gas en elektriciteit over het algemeen dus lang niet voor iedereen zo explosief gestegen als de officiële cijfers doen vermoeden.
Was er eigenlijk wel een energiecrisis in de herfst van 2022?
De officiële cijfers, waar onder meer de consumptieprijsindex op gebaseerd is, veronderstelden dat de energiefactuur in 2022 maar liefst 81 procent duurder was geworden, zelfs na aftrek van de overheidssteun. Die cijfers stroken volgens de economen niet met de realiteit, zeggen ze in de studie "De energiecrisis die er (bijna) geen was".
De auteurs, economen Gert Peersman, Koen Schoors en Milan van den Heuvel van het Gentse Economisch Inzicht, geven drie redenen voor het verschil. Ten eerste houdt de index alleen rekening met de tarieven van nieuwe energiecontracten, terwijl de meerderheid van de gezinnen een contract heeft met een vast tarief van voor de crisis.
Ten tweede gaan de officiële cijfers uit van verbruiksvolumes die dateren van voor de coronapandemie, terwijl er in de praktijk minder energie werd verbruikt. Tot slot is er een verschil omdat bepaalde vormen van overheidssteun in de statistieken worden uitgespreid over de tijd. In de werkelijkheid hebben gezinnen er al ten volle van kunnen genieten.
Extreme stijgingen waren minderheid
Op die manier is de energiecrisis voor een grote groep Belgen een stuk minder zwaar geweest dan de cijfers doen uitschijnen. Bijna de helft van de gezinnen, zowat 47 procent, betaalde zelfs minder voor energie dan in 2021.
Een groep van ongeveer 5 procent van de gezinnen heeft effectief een stevige factuur in de bus gekregen. Ze moesten op jaarbasis minstens 1.500 euro meer betalen dan in 2021, sommigen zelfs 3.000 tot 4.000 euro. Die extreme stijgingen waren volgens het onderzoek "uitzonderingen en niet de regel".
Toch hebben Belgen dankzij de automatische loonindexering voordeel gehad bij de overschatting. Een belangrijk gevolg van de meetfout is dat de consumptieprijsindex in 2022 gemiddeld met 3,3 procent overschat werd, en de gezondheidsindex met 3,5 procent. Op basis van de mediaanfactuur is dit zelfs respectievelijk 4,4 procent en 4,7 procent. "Hierdoor zijn de lonen en uitkeringen meer gestegen dan het daadwerkelijke koopkrachtverlies", zegt econoom Gert Peersman in "Terzake".
Omgekeerd effect
Dat is niet zonder risico, want het omgekeerde effect speelt ook: "Het uitspreiden van de overheidssteun in de statistieken en de daling van energieprijzen in de nabije toekomst kan de index doen dalen, terwijl in de praktijk de energiefactuur voor veel gezinnen duurder zal worden en de steun wegvalt. De inflatie in de portemonnee van veel gezinnen zal bijgevolg gedurende een periode hoger zijn dan de statistieken en de loonindexatie", zeggen de economen. Dat kan tot ongenoegen en sociale spanningen leiden, klinkt het.
Het Gentse Economisch Inzicht beveelt wel aan om in de toekomst de werkelijke energiefacturen van de gezinnen te gebruiken om de consumptieprijsindex te berekenen. "Zo vermijden we dat de schommelingen te groot zijn", zegt Peersman.
"Op korte termijn kunnen we dat niet oplossen, zegt Peersman. "Het is belangrijk dat we daar begrip voor hebben. We mogen niet denken dat de inflatie naar omlaag gaat. Heel veel mensen gaan het eigenlijk krapper hebben."



